zaterdag 17 juni 2017

DICHTER

“Je bent terug!”, zei  hij. Zijn ogen fonkelden. Het was een zwoele avond en we zaten in de tuin. Ik was opgewekt, droeg een flessengroene zomerjurk en had uitgebreid gekookt in de hoop hem wat huiselijke gezelligheid te bieden na zijn lange, zware werkdag op een drukke filmset. Hij genoot zichtbaar van de Marokkaanse maaltijd en dat stemde me blij. “Terug?”, vroeg ik. “Je was een tijdje verdwenen”, verduidelijkte hij. Dat ik niet mezelf was, geen gekke opmerkingen meer maakte, niet langer lachte. Maar vanavond hadden we lol zoals vanouds en ontwaarde hij weer leven in mijn blik.

Ik zag de taferelen van de voorbije maanden voorbij komen. Ik, die ’s morgens huilend wakker werd en mijn tranen in het kussen probeerde te verbergen. Ik, die zonder make-up, met ongekamde haren, in een oude training rondliep. Ik, die ’s avonds opbiechtte dat het weer een moeilijke dag was geweest. En hij, die zich geen moment ergerde, die me telkens weer omhelsde en begrip opbracht. Toegegeven,  hij en ik hebben een pact: in goede en in kwade dagen. En natuurlijk zou ik voor hem hetzelfde doen. Maar dat neemt niet weg dat ik zijn medeleven niet als vanzelfsprekend beschouw en hem een zo fijn mogelijk bestaan toewens. “Ik heb niet te klagen, hoor”,  zei hij. “Jij hebt op korte tijd veel verliezen geleden en toch bleef je attent voor mij en hield je je kranig. Ik ben daar juist trots op.” Dankbaar maakte ik een gekke opmerking - iets waarvan ik wist dat hij erom zou lachen.
De volgende morgen ontwaakte ik echter in een slechte dag. Mijn lijf voelde als een pijnlijke zak waarin ik mijn draai niet vond. Ik wilde niet meer verdrietig zijn. Maar over een rouwproces heb je geen controle. Toen mijn vriend ’s avonds laat thuiskwam, trof hij me somber aan. “Sorry, het gaat weer niet…”, prevelde ik. Al wilde ik zo graag ‘terug zijn’ voor hem. Hij antwoordde dat hevig verdriet in weeën komt, die elkaar in het begin snel opvolgen en gaandeweg grotere tussenpozen kennen. Het was een troostend vooruitzicht.

Vanavond treffen we elkaar in de stad. Ik ben naar een voorstelling geweest en hij heeft laat gewerkt. Het is heerlijk weer, de stad bruist en we hebben op een terrasje afgesproken. We kletsen, we eten, we lachen – hij draagt het gestreepte T-shirt dat ik zo leuk vind en ik vreet hem op met mijn ogen. Het zou onze eerste afspraak kunnen zijn, toen ik naar zijn borsthaar gluurde en me afvroeg hoe hij er onder zijn kleren uitzag. Nu ken ik zijn lijf van buiten, toch raakt het verlangen niet gedoofd. Als hij me naar mijn auto brengt, zoenen we. Even zijn we slechts man en vrouw – zonder verleden, pijn of verdriet. Ik duw mijn heupen tegen de zijne. En dan, als ik hem naar zijn eigen wagen zie slenteren, wetende dat we elkaar dadelijk weerzien in ons huis, besef ik dat ik nooit meer ‘terug’ zal zijn. De verliezen hebben me voorgoed veranderd. Ik heb nieuwe emoties ervaren die me zachter maken; ik ben mezelf tegengekomen en sterker geworden. De pijn heeft me gestript. Die pelde lagen van me af en liet me naakter doch zuiverder achter. Mijn relatie heeft zich andermaal verdiept. Hij en ik weten nu nog beter wat we aan elkaar hebben. Het is gek hoe je telkens weer gelooft dat je onmogelijk nog dichter bij mekaar kunt komen. En het vervolgens  toch doet.

(Mijn column in Het Nieuwsblad Magazine op 17/06/2017. Het Nieuwsblad Magazine gaat er voor de zomer tussenuit en verschijnt terug in september. Mijn wekelijkse column over mijn leven houdt dus ook een zomerstop.)


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen