donderdag 29 juni 2017

HET IS GEBEURD...

Het is gebeurd.
Gisteren heb ik het manuscript van Leven zonder filter voltooid. Het voelt nog een beetje onwennig omdat de inhoud zo lang dagelijks in mijn gedachten is geweest.
En omdat ik me nog nooit zo bloot heb gegeven als in dit boek. Maar iets zegt me dat het dat allemaal meer dan waard is.

In september komt 'Leven zonder filter' uit. Het gaat over mijn persoonlijke ervaringen met hoogsensitiviteit. Over omgaan met prikkels, depressie, burn-out, hoogbegaafdheid en onzekerheid. Over hoogsensitief zijn in de liefde, op het werk en in vriendschappen. Over hoe je gevoeligheid ook je kracht kan worden.
Ik hoop dat je er veel aan zal hebben.

Rest mij je nog een fijne zomer te wensen en... tot in september!

Warme groet,
Fleur

zaterdag 17 juni 2017

DICHTER

“Je bent terug!”, zei  hij. Zijn ogen fonkelden. Het was een zwoele avond en we zaten in de tuin. Ik was opgewekt, droeg een flessengroene zomerjurk en had uitgebreid gekookt in de hoop hem wat huiselijke gezelligheid te bieden na zijn lange, zware werkdag op een drukke filmset. Hij genoot zichtbaar van de Marokkaanse maaltijd en dat stemde me blij. “Terug?”, vroeg ik. “Je was een tijdje verdwenen”, verduidelijkte hij. Dat ik niet mezelf was, geen gekke opmerkingen meer maakte, niet langer lachte. Maar vanavond hadden we lol zoals vanouds en ontwaarde hij weer leven in mijn blik.

Ik zag de taferelen van de voorbije maanden voorbij komen. Ik, die ’s morgens huilend wakker werd en mijn tranen in het kussen probeerde te verbergen. Ik, die zonder make-up, met ongekamde haren, in een oude training rondliep. Ik, die ’s avonds opbiechtte dat het weer een moeilijke dag was geweest. En hij, die zich geen moment ergerde, die me telkens weer omhelsde en begrip opbracht. Toegegeven,  hij en ik hebben een pact: in goede en in kwade dagen. En natuurlijk zou ik voor hem hetzelfde doen. Maar dat neemt niet weg dat ik zijn medeleven niet als vanzelfsprekend beschouw en hem een zo fijn mogelijk bestaan toewens. “Ik heb niet te klagen, hoor”,  zei hij. “Jij hebt op korte tijd veel verliezen geleden en toch bleef je attent voor mij en hield je je kranig. Ik ben daar juist trots op.” Dankbaar maakte ik een gekke opmerking - iets waarvan ik wist dat hij erom zou lachen.
De volgende morgen ontwaakte ik echter in een slechte dag. Mijn lijf voelde als een pijnlijke zak waarin ik mijn draai niet vond. Ik wilde niet meer verdrietig zijn. Maar over een rouwproces heb je geen controle. Toen mijn vriend ’s avonds laat thuiskwam, trof hij me somber aan. “Sorry, het gaat weer niet…”, prevelde ik. Al wilde ik zo graag ‘terug zijn’ voor hem. Hij antwoordde dat hevig verdriet in weeën komt, die elkaar in het begin snel opvolgen en gaandeweg grotere tussenpozen kennen. Het was een troostend vooruitzicht.

Vanavond treffen we elkaar in de stad. Ik ben naar een voorstelling geweest en hij heeft laat gewerkt. Het is heerlijk weer, de stad bruist en we hebben op een terrasje afgesproken. We kletsen, we eten, we lachen – hij draagt het gestreepte T-shirt dat ik zo leuk vind en ik vreet hem op met mijn ogen. Het zou onze eerste afspraak kunnen zijn, toen ik naar zijn borsthaar gluurde en me afvroeg hoe hij er onder zijn kleren uitzag. Nu ken ik zijn lijf van buiten, toch raakt het verlangen niet gedoofd. Als hij me naar mijn auto brengt, zoenen we. Even zijn we slechts man en vrouw – zonder verleden, pijn of verdriet. Ik duw mijn heupen tegen de zijne. En dan, als ik hem naar zijn eigen wagen zie slenteren, wetende dat we elkaar dadelijk weerzien in ons huis, besef ik dat ik nooit meer ‘terug’ zal zijn. De verliezen hebben me voorgoed veranderd. Ik heb nieuwe emoties ervaren die me zachter maken; ik ben mezelf tegengekomen en sterker geworden. De pijn heeft me gestript. Die pelde lagen van me af en liet me naakter doch zuiverder achter. Mijn relatie heeft zich andermaal verdiept. Hij en ik weten nu nog beter wat we aan elkaar hebben. Het is gek hoe je telkens weer gelooft dat je onmogelijk nog dichter bij mekaar kunt komen. En het vervolgens  toch doet.

(Mijn column in Het Nieuwsblad Magazine op 17/06/2017. Het Nieuwsblad Magazine gaat er voor de zomer tussenuit en verschijnt terug in september. Mijn wekelijkse column over mijn leven houdt dus ook een zomerstop.)


dinsdag 6 juni 2017

VAN BOOM TOT BOOM

Terwijl u geniet van het heerlijke weer, speurt de politie van het Zuid-Hollandse dorpje Barendrecht naar een man die bomen swaffelt. Voor wie niet weet wat swaffelen is: dat is - naast Het Woord van Het Jaar 2008 - uw mannelijk geslachtsorgaan zachtjes doch ritmisch ergens tegenaan slaan. “Links, rechts, flap, flap, pets”, zo zou Paul Van Ostaijen de kunst van het swaffelen ongetwijfeld poëtisch omschrijven. “Boem, paukenslag” voor de extreme gevallen.
Hoe dan ook, in Nederland regende het klachten over een man die tijdens zijn boswandeling enkel een ­T-shirt droeg en meerdere bomen te lijf ging. Dat is natuurlijk niet zo prettig. Dan ga je een frisse neus halen. De geur van bladeren, wilde kamperfoelie en mos inhaleren. Onthaasten te midden van het ontluikende lenteloof. En dan loopt daar plots een vent maar wat raak te kwispelen. Ik snap dat men verontwaardigd reageert. Dat mensen de politie bellen: “Meneer de agent, die berk heeft daar niet om gevraagd!” Maar deze feiten stemmen mij ook enigszins nieuwsgierig. Hoe beland je op een punt in je leven dat je bomen swaffelt?
Groeide deze kerel als jongetje misschien op in een spirituele commune waar men elke zondag bomen knuffelde dat het een lieve lust was? Is hij de weduwnaar van een matrone die verdacht veel weg had van een knoestige knotwilg met een kevernest in één van haar boomholtes? Of was deze man tijdens zijn wandeling gewoon op een mierennest gaan zitten, had hij zijn broek gillend van pijn uitgetrokken en weggeworpen, recht op een wespennest - zoals u weet komt er een gigantische plaag aan - waarop al die wespen agressief achter hem aan vlogen en hij al rennend van boom tot boom de mieren van zijn kruis probeerde te kloppen? En dan die perverse wandelaars, met hun felroze anoraks (want Nederlandse koppels dragen tijdens het wandelen altijd dezelfde kleren) maar meteen concluderen dat hij aan het swaffelen was. Tss.

(Mijn column, op 26 mei in Het Nieuwsblad/De Gentenaar)

zaterdag 3 juni 2017

FOETUS

Mijn vriend ligt in bad en kijkt toe terwijl ik op het staafje plas. Ik ben een week over tijd. En ja hoor: het is een blauwe plus. Uit verbazing laat ik de stop van de test in de wc-pot vallen. Ik was bang dat mijn lijf het niet kon, al wilde ik het zo graag. “We… we zijn zwanger!”, stamel ik stralend. “Laat zien!”, grinnikt mijn vriend en nieuwsgierig steekt hij zijn hand uit. Als een pinguïn schuifel ik naar hem toe en reik hem de zwangerschapstest aan. “Proficiat!”, lacht hij en ik kus zijn natte gezicht en feliciteer hem, hevig ontroerd met mijn broek op mijn knieën.

In de weken die volgen openbaart het leven als zwangere vrouw zich aan me. Ik krijg borsten met blinklichtjes, ben kotsmisselijk, hondsmoe. Naar de supermarkt gaan is een opgave, zowat elk luchtje doet me kokhalzen. Maar het kan me niet schelen, het dient een magisch doel. Voortaan ben ik met twee. Ik leg een dagboekje aan over mijn zwangerschap , waarin ik mijn ervaringen neerschrijf en de gedroogde veldbloemen kleef die ik tijdens mijn verplichte dagelijkse wandelingen pluk. De eerste echo hang ik op de ijskast en ’s nachts, als ik niet kan slapen van blijdschap, bekijk ik op mijn smartphone opnieuw het filmpje waarin je het hartje mysterieus ziet flikkeren in de donkerte van mijn baarmoeder - als een verre ster in de nacht. Mijn prille zwangerschap heeft de wereld veranderd. Ik kijk naar alles in functie van mijn kind. Ik ben een doorgeefluik, en alle andere mensen iemands kind.

Nota bene begint de berekening van de negen maanden exact op de dag waarop mijn vader stierf en ik hem moederlijk bijstond. De cirkel van het leven. Eind dit jaar sta ik aan diezelfde poort maar begeleid ik een nieuwe ziel naar het aardse bestaan. Ik zal het zo goed mogelijk doen. Heel bewust, met alle liefde en moed die ik in me heb. Mijn vriend praat al tegen mijn buik, lacht om de eerste veranderingen die mijn lichaam doormaakt. Ik ben nergens meer bang voor, niet voor striemen, scheuren en pijn, niet voor grote veranderingen en oververmoeidheid. Ik ben enkel bezorgd om het welzijn van ons kind. Nu al is het moederschap een les in overgave.

En dan, uit het niets… de bloedvlek. Klein doch onmiskenbaar. De gynaecoloog geeft me diezelfde avond een afspraak. Mijn vriend is aan het werk op een filmset en kan daar nog niet weg. Een dierbare vriendin, die zelf vier miskramen op één jaar tijd kreeg, springt onmiddellijk in haar wagen. Ik tref haar in de wachtkamer tussen drie gelukzalige, zwangere koppels. “Zeg, dan ga je me straks in mijn blootje zien”, prevel ik gespannen. Ze zegt dat het haar niet uitmaakt. Dat ze een kind heeft gebaard en nergens raar van opkijkt. Dat ik nu niet alleen moet zijn. Tijdens het onderzoek houdt ze mijn hand vast, streelt ze mijn haar. De gynaecologe roert met het apparaat in mijn schoot en bevestigt: het hartje klopt niet meer. De ster is uitgedoofd. Nu moet mijn lichaam ze alleen nog loslaten.

Thuis wacht mijn vriendin bij me tot mijn vriend er is. Hij rijdt de oprit op, stormt zijn auto uit en grijpt me vast. Geluidloos huilen we tegen elkaars hals. “Het is zoals het is”, fluister ik. “De natuur had vast een goede reden.” Hij gelooft het ook maar dat neemt de pijn niet weg. Die nacht rol ik me naast hem op als een foetus. Mijn gezwollen borsten en aanhoudende misselijkheid zijn een misplaatste grap - slapen kan ik niet.

(Mijn column, dit weekend in Het Nieuwsblad Magazine)