donderdag 29 december 2016

Vlug, een pil!

Uit nieuwe cijfers van het Riziv blijkt dat nog nooit zo veel jongeren, kinderen, kleuters en peuters antidepressiva slikten als vandaag. De voorzitter van de Belgische Federatie van Psychologen noemt dat zorgwekkend: “Deze cijfers tonen aan dat onze maatschappij lijdt, maar het antwoord dat wij bieden is heel medisch.” Bovendien beïnvloeden deze pillen de karakters en groeiende hersenen van kinderen. Wellicht zou in veel gevallen therapie een meer verantwoorde oplossing zijn, maar in tegenstelling tot pillen wordt psychotherapie niet terugbetaald.
Van mijn 16de tot mijn 23ste kampte ik met een depressie. Omdat ik pillen symptoombestrijding vond, wilde ik de situatie bij de kern aanpakken via therapie. Een persoonlijke keuze, waarmee ik andermans beslissing niet wil veroordelen. Ik kwam bij een psychologe terecht die EMDR-therapie aanbood: een ­wetenschappelijk ondersteunde benadering waarbij je - kort samengevat - eerdere trauma’s herbeleeft en je interpretatie van die feiten herprogrammeert. Het was een zeer zware periode die me krachtiger en wijzer maakte. Maar tijdens die periode stuitte ik op veel kritiek in mijn omgeving en verloor ik mijn vrienden. Toen al rustte er een taboe op depressie.
En ook nu nog lijkt het alsof depressie nog synoniem staat voor zwak. Een zwakte die verstopt moet worden of, in hardnekkige gevallen, vlug weggeslikt met een pil. Dat is het gevolg van polair denken. Goed of slecht, superieur of inferieur, wij versus zij: polair denken is de oorzaak van alle vormen van intolerantie. Ook die jegens jezelf, wat volgens mijn ervaring tevens in neerslachtigheid kan uitmonden. Daarom wil ik in tijden van kerstboodschappen en nieuwjaarswensen oproepen tot meer denken vanuit eenheid. Opdat we ook de leerzame schaduwen in het leven toelaten, vergezeld van constructieve ondersteuning. Hoog tijd dat psychotherapie wordt terugbetaald.
(Afwisselend geven Fleur van Groningen en Nico Dijkshoorn hun eigen kijk op de actualiteit. 'Vlug, een pil!', verscheen in Het Nieuwsblad op 28 Dec. 2016.)

dinsdag 27 december 2016

Engel zonder vleugels

In de dorpsapotheek werken drie mensen. De apotheker zelf. Een jonge vrouw. En een oudere man die, als hij naar zijn clientèle luistert, het hoofd een beetje schuin houdt en de handen keurig in elkaar vouwt. Als een engel zonder vleugels. Misschien komt het door die houding dat zijn klanten uitweiden over hun lichamelijke ongemakken. Bij de apotheker en de vrouw leveren ze slechts hun voorschriften in en knikken ze beschaamd als hen een doos wordt aangereikt met de woorden: “Ah, dat is tegen aambeien, dat moet ge er driemaal per dag opsmeren.” Maar als de engelachtige man hen bedient, kunnen ze niet stoppen met praten. En natuurlijk sta ik dan achter hen in de rij en luister ik ongewild mee naar plastische beschrijvingen, onverwerkte emoties, diep gekreun en gezucht. Sommige mensen zijn zeer bedreven in het zonder ademhalen uitspreken van: “Ze-hebben- dat-buizeke-in-mijne-man-zijn-poep-gestoken-en-dan-zagen-we-alles-voorbij-komen-tot-in-het-zakske.” De oudere man antwoordt nooit. Zwijgend stalt hij producten uit en wacht hij tot men klaar is om te betalen. Wellicht huilt hij vanavond weer bij zijn vrouw - denk ik dan - niet begrijpend waarom mensen steeds hém uitkiezen voor hun wansmakelijke monologen.
Onlangs werd ik voor het eerst door hem bediend. Ik was vastbesloten om de arme man te sparen en geen details prijs te geven over de tenen van mijn vriend. Het was tenslotte Kerstmis. De man boog zijn hoofd schuin en vouwde zijn handen. Maar ik liet me niet kennen en klemde mijn kaken opeen. Toen wees hij op de door mij bestelde tube en overstelpte me met een stortvloed aan waarschuwingen. Met plastische beschrijvingen, dramatische kreunen en dreigende zuchten voorspelde hij de wansmakelijke toekomst van mijn vriend als hij deze crème niet zachtjes op zijn tenen zou deppen. En ik begreep: de volgende keer moet ook ik proberen deze man voor te zijn.
(Afwisselend geven Fleur van Groningen en Nico Dijkshoorn hun eigen kijk op de actualiteit. 'Engel zonder vleugels' verscheen op 26/12/16 in Het Nieuwsblad.)

maandag 19 december 2016

POEZENAVONTUUR

De rivier aan het einde van onze tuin was de afgelopen dagen bevroren. Gisteren keek ik vanuit het dakraam toe hoe mijn kat haar eerste voorzichtige stapjes op het ijs zette. Warme roze teentjes op het koude, glanzende grijs. Ik was wat bezorgd, want zo dik was het niet. Maar al gauw trippelde ze zichtbaar uitgelaten en nieuwsgierig naar de overkant. Ik glimlachte om haar poezenavontuur. Aan de andere oever ligt een stukje ontoegankelijk natuurgebied, waar reeën en ijsvogels huizen, en de distels en  braamstruiken schouderhoog tussen de loofbomen woekeren. Mijn kat zocht haar weg tussen de kale takken. Ik volgde het witte vlekje op haar rug tot ze uit het oog verdwenen was. Pas toen besefte ik dat indien ze niet zou terugkeren voor de dooi, ze niet meer thuis zou geraken. Nergens ligt er een lange tak over de rivier die als brug kan dienen. Luid riep ik haar naam. Er vloog een duif op - verder bleef het stil. Het was te laat… Mijn kat had het onbekende geroken.

Nadat  ik haar vannacht niet hoorde thuiskomen, spring ik deze morgen uit bed om door het raam naar de rivier te gaan kijken. Al het ijs is gesmolten. En ja hoor, aan de overkant zit ze. Een klein driekleurig vlekje poes tussen het riet. Snel trek ik een trui en een jeans aan. Ik bedenk dat er niets anders opzit dan een eindje om te rijden naar de huizen aan de achterzijde van het natuurgebied, en daar te vragen of ik door hun tuin mag om mijn huisdier te redden. Ik zoek rubberlaarzen en een dikke jas, en trek de voordeur achter me dicht. Zodra mijn poes me ziet buitenkomen, zet ze het op een klaaglijk miauwen. Hopend dat niemand anders me hoort, roep ik haar toe dat ik eraan kom. Bij wijze van antwoord mauwt ze nogmaals en zet ze een wit pootje in het ijskoude water. Met een schok trekt ze het terug. Ik kijk nog eens rond, nergens een tak te bespeuren.

Bij een moderne villa bel ik aan. De dame des huizes doet niet open maar roept iets onverstaanbaars vanachter een matglazen deur met twee transparante stroken. Ik zie haar ogen door de bovenste strook, zwaai met mijn transportbox voor de onderste en leg uit wat ik kom doen. Ze knikt. Ik ren de tuin in. Aan het einde van het keurige gazon verrijzen de braamstruiken. Vastbesloten baan ik me een weg. Distels trekken aan mijn haren, doornen haken in mijn vel. Maar ik zet door, in de naam der poezenliefde. Gelukkig roep ik nog nét niet: “Mammie komt eraan!”
Als ik eindelijk de rivier bereik, is het plekje tussen het riet leeg. Ik veeg het zweet –en wat bloed- van mijn voorhoofd en kijk rond. In de verte klinkt een enthousiaste kreet. Aan de overkant, voor de voordeur van ons huis, zit mijn kat.

Met takken in mijn haren en kleren vol klitten, strompel ik als een halve wilde terug de tuin van de villa in. De keurige eigenares komt me tegemoet. Verbaasd vertel ik haar wat ik heb gezien. Volgens de vrouw kan het niet anders dan dat ze heeft gezwommen: “Was uw poes nat?”
“Dat kon ik niet zien”, antwoord ik twijfelend. Als ze vervolgens een praatje begint te maken, onderbreek ik haar ongerust: “Het spijt me, maar ik moet dringend naar huis om mijn natte poes af te drogen.” De vrouw knikt begrijpend. Pas thuis, waar een kurkdroge kat me opwacht, besef ik dat mijn dirty mind me even in de steek heeft gelaten.

(Verschenen in NB Magazine, 17/12/2016)

woensdag 14 december 2016

Heerlijkste tijd van het jaar

Het Nieuwsblad - 14 Dec. 2016
In mijn vroegere dorp woonden mensen die zich in december en januari volledig lieten gaan. Dan prijkten er in hun tuin lichtgevende blauwe ijsberen en roze pinguïns, heupwiegende kerstmannen, kerstbomen die rond hun as draaiden en flikkerende getallen die het nakende jaartal aankondigden. Ondertussen schalden de belletjes van een onzichtbare arrenslee uit een verstopte geluidsbox en ­bengelden aan het dak talloze koorden met kerstmannen - geen suïcidale exemplaren, ook al leek dat wel zo. Ik mocht er niet aan denken om elke dag in dat huis te ontwaken, de gordijnen te openen en de verongelijkte blik van zo’n opgeknoopte kerstman te ontmoeten. Of daar ‘s avonds aan tafel uit te kijken op die hectische, flitsende show, die de hele nacht doorging en vast ook de slaapkamer hel verlichtte. Maar ik nam aan dat het voor die mensen de heerlijkste tijd van het jaar was en glimlachte daarom welwillend telkens als ik hun huis passeerde.
Gisteren schoof ik aan bij de kassa van een winkel waar ik anders nooit kom. Voor me stond een koppel. Zij zag eruit als Tinkelbel in een winterjas. Hij was meer het type Baloe de beer en droeg zowel een dikke jas als Crocs in legerprint. Tegen zijn buik klemde hij een plastic sneeuwman die volgens de verpakking heel luid ‘Merry Christmas’ kon zingen. ­Tinkelbel hield dan weer een doos vast met daarop: “Bewegend kersttafereel met licht- en geluidshow.” Ze keek ernaar en vroeg haar man: “Welk liedje denkt ge dat deze besneeuwde huisjes zingen?” “Jingle Bells”, antwoordde hij beslist. Opnieuw glimlachte ik. Ook dit koppel beleefde allicht de heerlijkste tijd van hun jaar. Tot ik de verbeten uitdrukking op hun gezichten zag. Mijn blik gleed over de jas en de Crocs met agressieve legervlekken. Opeens begreep ik het. Dit waren geen mensen die genoten. Dit waren mensen die wraak namen op hun buren.

Afwisselend geven Fleur van Groningen en Nico Dijkshoorn hun eigen kijk op de actualiteit.

maandag 12 december 2016

De een zijn dood

Het Nieuwsblad - 12 Dec. 2016
Pagina 2
In 'Het Nieuwsblad' ontdekte ik dat het taboe rond de dood is doorbroken en er tegenwoordig opener over wordt gesproken. Handig, aangezien we allemaal onderweg zijn naar onze laatste snik. Nu kunnen we daar gewoon eerlijk over zijn. Hoeven we niet langer een kulverhaal uit onze duim te zuigen indien er op feestjes terloops naar onze sterfelijkheid wordt gepolst. Mogen we met een gerust hart het d-woord hanteren in het bijzijn van de bomma en moeten we rouwbrieven niet meer verstoppen in de sokkenla. Ik vind dat een vooruitgang.
Blijkbaar heeft dit doorbroken taboe ook tot gevolg dat steeds meer mensen een opleiding tot begrafenisondernemer willen volgen. Die cursussen zouden uitpuilen en zelfs wachtlijsten hebben. Helaas hebben veel cursisten volgens de uitvaartsector de verkeerde instelling: ze willen vlug geld verdienen met de grootste zekerheid die er is. Maar zo zit de job niet in elkaar en daarom geven ze er al snel de brui aan.
Toen ik dat las, overwoog ik zelf om voor begrafenisondernemer te studeren. Niet om de rouwenden te pluimen, maar om het aanbod te vergroten. Meermaals heb ik afscheid moeten nemen van een dierbare in een deprimerend grauwe ruimte, waar een bleke stijve hark op monotone wijze clichés verspreidde. Als ik zelf het loodje leg en er mensen zijn die een ritueel nodig hebben om dat te verwerken, hoop ik dat dit op een aangenamere plek gebeurt. Ergens waar een zonnige sfeer hangt, het lekker ruikt, de muziek mooi is, de aanwezigen lekkere hapjes krijgen en indien gewenst een troostende, spinnende poes op schoot. Iets gezelligs! En als ik daar zo over denk, zijn er misschien nog wel die dat willen? ‘t Is dat ik niet gemaakt ben om dagelijks tussen de lijken te vertoeven, of ik had me vandaag nog op de wachtlijst gezet.

Afwisselend geven Fleur van Groningen en Nico Dijkshoorn hun eigen kijk op de actualiteit.

maandag 5 december 2016

ACTUA-week van 05/12 tot 09/12

Betrappen & verklikken 2/12/2016, Het Nieuwsblad, p.2
In ons land wordt dagelijks gestolen in winkels, maar de winkeleigenaars hebben vaak niet genoeg tijd om hun camerabeelden na te kijken en de dieven te vatten. Daarom werken twee Belgische ondernemers aan een website waarop de beelden kunnen worden bekeken door gewone mensen: ‘amateur-detectives’ die per dief een bedragje verdienen dat lager ligt dan het loon van professionele speurders.
Zelf heb ik één keer iets gestolen: in een warenhuis griste ik als peuter een oranje plastic slabestek in mijn buggy. Mijn moeder ontdekte het toen we thuis waren. Dat vertelde ze me pas jaren later: “En het was niet eens een mooi slabestek.” Ik voelde me vreselijk schuldig. Diefstal is niks voor mij. Maar voortdurend andere mensen betrappen en verklikken? Daarvan word ik minstens even ongelukkig - allicht zelfs verbitterd.
Wat voor mensen zouden dit werk wél graag doen? Misschien het omaatje dat in mijn vroegere dorp woont, de wereld vanachter haar vitragegordijn minutieus in de gaten houdt en alles van iedereen weet. Zij zou maar wat graag verklappen dat ze “de Jean van Marie-Paule” een pot augurken zag pikken in de Spar. Ware het niet dat de gezichten in deze camerabeelden worden geblurd, dan is de lol er deels af.
Maar wellicht zou het therapeutisch werk zijn voor Mobilhome Man: de meneer die dagelijks met een brede kampeerwagen door onze smalle straat vlamt en soms uitstapt om ons briesend te verbieden onze auto’s in de berm te parkeren zodat hij minder hoeft op te letten waar hij rijdt. Daarbij zwaait hij wild met zijn armen, spuwt hij speeksel als een fontein en dreigt hij met de toorn der dorpsgenoten. Zo’n man zou allicht een stuk tevredener door het leven gaan mocht hij vanuit zijn luie zetel échte criminelen kunnen vangen. Welja, zodra die website af is, bezorg ik hem de link.


Alcoholprobleem 7/12/2016, Het Nieuwsblad, p. 2

Op de sociale media deelt men enthousiast een open brief van de 28-jarige Gentenaar Kenny Vermeulen. Daarin biecht hij op dat hij een alcoholprobleem heeft. Tot die conclusie kwam Kenny nadat de Vereniging voor Alcohol- en andere Drugproblemen onlangs adviseerde om niet langer 21, maar nog 10 pintjes per week te nuttigen. Kenny is geen stiekeme drinker, maar bestelt tijdens het uitgaan heel wat wodka’s. Daarover kreeg hij nooit opmerkingen van zijn drinkebroers. Nu trekt hij zelf aan de alarmbel. “We vinden ons zuipen o zo fantastisch. Maar niemand durft er een ander op te wijzen dat we een gevaar zijn”, schrijft hij.


Het is inderdaad opvallend hoe sociaal aanvaard drinken is. Ik lust af en toe best een glaasje en soms drink ik er zelfs één te veel. Maar vroeger dronk ik jarenlang niet. Omdat alcoholisme bij mij in de familie zit. Omdat ik nog moest rijden. En omdat ik meestal niet zo houd van het gevoel beneveld te zijn. Dat ik niet meedronk op feestjes, oogstte steevast kritiek. Zelfs als ik met de wagen was. Je bent blijkbaar cool als je drinkt en een seut als je nuchter blijft. Zelf voelde ik mij toen ook een sukkelaar: terwijl iedereen losser werd door de drank en de gewaagdste pasjes op de dansvloer uitvoerde, hielp mijn colaatje niet tegen de onzekerheid. Ik was het muurbloempje dat iedereen samen ladderzat zag worden en daarna bloednuchter alleen naar huis reed.

In die tijd vertrouwde ik iemand toe dat ik me vaak onwennig voel tussen de mensen. Hij antwoordde dat de meesten dat hebben, waarom werd er anders zo veel gezopen? “Alcohol is een middel om alles vloeiender te laten verlopen en je emoties niet te voelen”, zei hij en bestelde nog een trappist. Sindsdien voel ik me een beetje een sukkelaar als ik meedrink. Zijn we allemaal zo sociaal en emotioneel gehandicapt dat we onze toevlucht in de fles moeten zoeken?


Krijsende mannen 9/12/16, Het NIeuwsblad p. 2


Bij onze noorderburen heeft ene Peter de Vroed het e-book ‘Men-struatie, de grote ontkenning’ geschreven. Hij verdiepte zich in de cyclus van zijn partner, sprak met talloze vrouwen over hun ervaringen. Nadat hij door middel van een elektro-apparaat zelf de maandelijkse krampen ervoer, ontwikkelde hij een theorie om die periode te veraangenamen. En nu pleit hij voor menstruatieverlof. Ook roept hij mannen op om dezelfde pijnuitdaging aan te gaan, opdat zij zich voortaan beter in vrouwen kunnen inleven en meer rekening met hen houden.

Sinds twee Nederlandse presentatoren weeën ondergingen met behulp van een bevallingssimulator, Staf en Mathias Coppens dat dunnetjes overdeden voor VTM en Erik Van Looy de eerste keer lachte in ‘De Slimste Mens’, weten we dat krijsende mannen steevast plezante televisie opleveren. Geen wonder dus dat Humberto Tan, de presentator van de Nederlandse talkshow ‘RTL Late Night’, gewillig aan de krampmachine ging hangen. Het luidruchtige resultaat staat nu op de Facebookpagina van eerder genoemd boek. Ik bekeek het filmpje met enig leedvermaak. Dat betekent dat ik ervan geniet als een ander mijn ongemakken beleeft - niks om trots op te zijn. 
Voorts bedacht ik dat er meer bij menstrueren komt kijken dan enkel krampen. Er is dat voortdurende gedoe op het toilet, waarbij je zo stil mogelijk met prijzige tampons en maandverband ritselt en nimmer aan de confrontatie met je eigen smerigheid ontkomt. Er is de schrik voor een bloedvlek op je broek, in het slechtste geval in de vorm van het profiel van Herman de Croo. Er zijn de huilaanvallen waaraan je niet ontsnapt; zelfs al herinner je je dat het hormonaal is, toch voel je je ellendig. Moeten mannen daarmee ook kennismaken? Want dat merkte een der Humberto’s praatgasten terecht op: jammer dat een vrouw pas wordt geloofd als een man hetzelfde ervaart.

Afwisselend geven Fleur van Groningen en Nico Dijkshoorn hun eigen kijk op de actualiteit.


zaterdag 3 december 2016

ZACHTHEID

Het begon in de kleuterklas. En het stopte pas toen ik de schoolpoort voor het laatst uit wandelde. Ze vonden me raar, deden gemeen. Als ik me in mezelf terugtrok, noemden ze me verwaand. Op een dag – ik was zestien- riep iemand me op straat na: “Gij, met uw arrogante smoel, gij denkt zeker dat ge ‘t zijt?!” Ik besloot om voortaan duidelijk te laten merken dat ik het goed meen, want blijkbaar straalde mijn uiterlijk het tegendeel uit. Zo ontstond de rol die ik mezelf op sociale aangelegenheden aanmat. Ik verplichtte mezelf om extrovert te zijn. Om hardop de grappen, opmerkingen en complimenten te maken die ik anders in stilte bedacht. Opdat mijn gezelschap me onbedreigend en misschien zelfs aardig zou vinden, en zich door mijn gevatte reacties op een veilig afstandje zou laten houden. Het was een onbewuste tactiek uit zelfbescherming. Vermoeiend, want ik moest voortdurend alert zijn. Pas toen ik in de twintig was, legde ik uit eenzaamheid mijn clownsmasker af. Voortaan zou ik toch mijn kwetsbare kant te tonen. Enkel zo kan je écht contact maken met anderen. Zodra ik anderen meer liet zien, deden zij dat ook. Ik ontdekte dat ik niet langer gepest werd. Dat niemand het volledig voor mekaar heeft. Dat je elkaar een dienst bewijst door samen menselijk te durven zijn.

Onlangs zag ik een vrouw in een talkshow op televisie. Ze maakte spitsvondige grapjes, wapperde met haar wimpers. Ze was enkel bezig met hoe zij overkwam en niet met wat er omging in de andere praatgasten. Ik begreep dat haar gekunsteldheid uit onzekerheid voortkwam maar dacht toch: “Zo wil ík niet zijn.” Al was ik ook nog steeds niet overal mezelf. Op feestjes ging ik nog in overdrive: daar sleurde de adrenaline me door de nacht, grappend, met een glas wijn. Nadien was ik telkens doodmoe. En beschaamd, omdat ik dingen had gedaan die ik anders niet zou doen. Die gêne voedde mijn mensenschuwheid. Nadien trok ik me weer voor een poosje terug uit de bewoonde wereld.
Dit oude patroon, waarvan ik me bewust werd dankzij de vrouw op tv, riep ik diezelfde avond nog een halt toe. Toen ik daarna op een feestje verscheen als gewoon mezelf, voelde ik me naakt. Ik was bang dat men me raar, onaardig of arrogant zouden vinden. Maar ik wist inmiddels dat je je niet aan andermans vooroordelen hoeft aan te passen. Op mijn zestiende kon ik de kritiek nog niet plaatsen, nu was ik wijzer. Na meermaals mezelf te blijven te midden van het feestgedruis –en nadien niet meer vermoeid en beschaamd te zijn-  wilde ik nooit meer terug naar vroeger.

Vanavond drinken mijn vriend en ik iets in een stampvolle bar. Hij zegt dat ik er anders uitzie dan anders. “Ik heb minder make-up op”, antwoord ik. “Nee, dat is het niet”, werpt hij tegen. “Je straalt een zachtheid uit die ik normaal enkel thuis te zien krijg.” Ik werp een blik naar de spiegelende muur achter de bar en ontwaar mijn hoofd tussen de rijen glazen. Zelf zie ik geen verandering maar ik weet dat ze er is.


(‘Zachtheid’ verscheen op 03/12/2016 in NB Magazine)

vrijdag 2 december 2016

ACTUA-week van 28/11- 02/12


Maandag 28 november 2016

Een klein mensje
Vlaanderen is in de ban is van het avondrood, schreef deze krant. Dat ondervind ik zelf ook:  Twitter, Instagram en Facebook bulken van de indrukwekkende zonsondergangen. Gisteren likete ik dezelfde zonsondergang vanuit wel zevenentwintig verschillende standpunten. Want voor één keer lijken mijn virtuele vrienden het met elkaar eens. De discussies over Donald Trump en Zwarte Piet zijn verstild. Eensgezind posten ze dagelijks vijftig tinten roze en dopen die ‘De mooiste zonsondergangen van het jaar.’ Maar dat klopt niet volgens weerman Frank Deboosere. Het kleurenpalet is onveranderd. Het enige verschil is dat de zon nu al om vijf uur ondergaat, telkens we op weg naar huis vastzitten in de avondspits en verveeld om ons heen  beginnen te kijken. In de zomer zinkt de zon pas rond de negenen achter de horizon, als we al binnen voor de tv zitten geparkeerd. Dan staren we massaal naar het roze van de wangen van Jan Mulder en Wim De Vilder - al worden we daar aanzienlijk minder lyrisch van.
Ik zou hier cynisch over kunnen doen. In plaats daarvan herstelt de huidige geestdrift voor het avondrood mijn geloof in de mensheid een beetje. Soms vrees ik dat men tegenwoordig te zeer wordt afgeleid - door technologische snufjes, politiek, geld, porno, imago, velerlei externe prikkels en een algemeen aanvaarde gejaagdheid- om zich nog open te stellen voor ontroering. Soms vrees ik dat een gebrek aan poëzie de norm is. Maar blijkbaar blijft de honger naar schoonheid  toch overeind. Misschien omdat  iets dat grootser is dan wij, ons een moment onszelf doet vergeten.
Als je naar de zonsondergang kijkt, ben je niet bezig met je ambities, selfies, plichten en zorgen. Je bent slechts een klein mensje onder een oneindige, veelkleurige hemelkoepel. Tot je je smartphone ter hand neemt, in een poging die ervaring op Instagram te posten. Dan wordt de betovering onherroepelijk weer verbroken. 

Woensdag 30 november 2016 

Uitdaging
Sinds de acteurs uit ‘Thuis’ het hebben gedemonstreerd, weet ook ik wat de ‘Mannequin Challenge’ is: te midden van een activiteit plots als een onbeweeglijke etalagepop poseren voor de camera en het resultaat op de sociale media zwieren. Ik heb ooit een man gekend die tijdens de bedactiviteiten in een onbeweeglijke pop veranderde. Toen dacht ik dat dat een probleem was. Nu weet ik: hij was een extreem hippe kerel, het betrof de Mannequin Challenge avant la lettre, ik had op dat moment gewoon een foto van hem moeten nemen.
Nu ik dus eindelijk begrijp wat de Mannequin Challenge inhoudt, is die alweer oud nieuws. Vrouwen storten zich tegenwoordig massaal op de ‘One-finger Selfie Challenge’. Hierbij poseren ze naakt voor de spiegel met een strategisch geplaatste vinger die tegelijk hun kruis én de boezem van hun spiegelbeeld bedekt. Opnieuw duurde het even voor ik het snapte: ik bleef maar zoeken naar waar al die blote vrouwen wezen. Eén van hen had geposeerd in de badkamer, omringd door flesjes en vuile was. Dat had iets heel kwetsbaars, vond ik, zo overduidelijk opgeslorpt zijn door je blote lijf dat je niet ziet dat je vuile onderbroek in beeld ligt.
Voor mannen die hun edele delen niet achter één vingertje kwijt kunnen -of willen- is er de ‘Grey Sweatpants Challenge’. Dat is een uitdaging waarbij ze hun mannelijkheid etaleren doorheen de weinig verhullende stof van een lichtgrijze joggingbroek. Allicht duwen ze er stiekem nog een bol sokken of een wortel bij. Dat heeft andere mannen op het idee gebracht om met een zichtbaar voorwerp in hun sweatpants te poseren. Van een plant tot een synthesizer en zelfs een trommel, niets is hen te gek. Ik ben dan wel geen man, ik wilde toch weten wat ik zou voelen als ik poseerde voor een selfie met een trommel in mijn broek.  Het bleek het befaamde ‘Is dit alles?’-gevoel.

Vrijdag 2 december 2016


Teamspirit
Het is weer vrijdag. Misschien hebt u de gewoonte om dan in keurig kantoorjargon nog even bij uw collega te informeren naar een ingewikkelde kwestie op het werk. Iets waarbij er gefocust moet worden op te managen targets, die teruggekoppeld dienen te worden en dus best even op mail worden gezet, rekening houdend met het feit dat er een stukje persoonlijke ontwikkeling valt te rapen binnen de win-win-situatie indien men bereid is om tijdens de volgende vergadering op transparante én flexibele wijze uit de comfort zone te stappen en geheel outside de box te denken in het kader van proactieve feedback op zowel het sociaal kapitaal àls het DNA van het bedrijf. Zoiets.
Wel, dat soort vragen mogen we niet langer stellen, vindt zakelijk auteur Michael Kerr. Toch niet op vrijdagmiddag. Want dan schakelen onze collega’s al over op weekendmodus en hebben ze een spuug hekel aan beladen, werkgerelateerde onderwerpen. Die bezorgen hen stress. Volgens Kerr is het bevorderlijker voor de teamspirit om op vrijdag luchtig naar de weekendplannen van collega’s te informeren. Dat deden de werknemers op het kantoor waar ik vroeger werkte. En daar kreeg ik juist extra stress van. Want voor hen ging de ratrace ’s weekends gewoon door. Dan zaten we te lunchen in een kale grijze ruimte met een luid tikkende wandklok en somden zij gejaagd kauwend op: voetballen, muurklimmen, naar de nagelstylist én een familiefeest, shoppen, dansen, fitnessen, naar het autosalon…  Over onze boterhamdozen werd er met weekendactiviteiten gepingpongd tot diegene met de meeste plannen overbleef en zelfingenomen in haar wrap van Jeroen Meus beet. En dan vroeg zij mij triomfantelijk: “En jij?” Dat mijn vrije dagen niet volgestouwd zaten, vonden mijn collega’s zichtbaar zielig. Die eensgezindheid leek wel bevorderlijk voor hun teamspirit.

Afwisselend geven Fleur van Groningen en Nico Dijkshoorn hun eigen kijk op de actualiteit in Het Nieuwsblad.