woensdag 27 juli 2016

Vrouwelijke priesters

Er bestaan verschillende theorieën over Maria Magdalena. Ze zou een prostituee zijn geweest en wordt de patroonheilige van zondaars en lichtekooien genoemd. Volgens anderen was zij dan weer de echtgenote van Jezus en baarde zij hun kroost. Wat me herinnert aan een kennis die beweerde een afstammeling van Jezus te zijn. Nadat een helderziende hem dat had verklapt, weigerde hij nog aan te schuiven bij kassa's - dat zou zijn voorvader ook niet hebben gedaan, zei hij. Ik knapte af op zijn logica, maar misschien was hij dus werkelijk een nazaat van de familie van Nazareth.
Dan zal hij nu wel blij zijn. Want volgens de 'Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de regeling van de Sacramenten' wijst onderzoek uit dat zijn stammoeder deel uitmaakte van de 70 trouwe volgelingen van Jezus. Daarom werd Maria Magdalena - EmEm voor de fans - in ere hersteld en gaf de paus haar een eigen feestdag. Voor mijn vriend wellicht een hoogdag. Voor Rik Torfs, professor kerkelijk recht aan de KU Leuven, een grote stap richting vrouwelijke priesters. Iets wat me in deze tijden, waarin men streeft naar gendergelijkheid, geen overbodige luxe lijkt.
Theoloog Hans Geybels - ook van de KU Leuven - gelooft echter dat het nog decennia zal duren: “In 1994 heeft de toenmalige paus Johannes Paulus II in een brief duidelijk gemaakt dat vrouwen niet moesten hopen op het priesterschap. Die uitspraak zindert nog na binnen de Kerk.” Jammer. Anderzijds mag dat geen verrassing heten. Er doen immers ook diverse theorieën de ronde over de mannelijke apostelen. Zo zou Andreas tegen Matteüs gezegd hebben: “Ik heb die van ons nog eens gewezen op haar enige recht, het aanrecht.” Matteüs zou geantwoord hebben: “Die van ons heeft maar één rol, de deegrol.” Waarop Filippus Johannes aanstootte en zei: “De mijne jengelt over het glazen plafond … Als een vrouw nee zegt, bedoelt ze ja, schrijf dát maar eens op.”
Afwisselend geven Fleur van Groningen en Nico Dijkshoorn hun eigen kijk op de actualiteit. 'Vrouwelijke priesters' verscheen op 27/07/2016 in Het Nieuwsblad.

dinsdag 26 juli 2016

Meisje van plezier

'Hot Marijke ontploft door hitte', las ik op de website van 'Het Nieuwsblad'. Wat? Ik wist dus niet dat Hot Marijke zó heet kon worden. Wat was de aanleiding? Een extreem opwindend rencontre, de tropische temperaturen, een defecte innerlijke thermostaat? Misschien een combinatie van dat alles?
Ja, die krantenkop zette mij onmiddellijk aan het denken. Op welke leeftijd zou Marijke hebben ontdekt dat zij heter was dan haar doorsnee medemens?Voelde zij zich eenzaam en onbegrepen omdat ze anders was? Legde iemand uit hoe ze met die unieke eigenschap moest omgaan of waarschuwde niemand haar voor haar eigen ontploffingsgevaar? En nu het zover gekomen is: wie heeft de restjes Marijke opgeruimd? Haar gesmolten gezicht van een standbeeld gepeld, de vlekken van muren en stoep geschrobd, haar tenen bij elkaar geveegd met stoffer en blik?Waren er getuigen? Ouders die tegen hun geschokte kinderen zeiden: “Dat gebeurt er als je je groenten niet opeet, je huiswerk niet maakt, je rommel niet opruimt en te laat gaat slapen.”Hopelijk komt er een gedenkteken op de plaats van de explosie. Bijvoorbeeld een abstract boezemvormig kunstwerk en daaronder een plaatje met de woorden: “Hier spatte Hot Marijke, 's lands beroemdste meisje van plezier, bekend van de cultfilm 'Geile Kerstfuif met Hot Marijke', op een zonnige zomerdag onverwachts uit elkaar - de brokstukken lagen in de vorm van een euroteken.”Maar nu blijkt dat ik het verkeerd gelezen had. De volledige krantenkop luidde: 'Vettig kunstwerk rond Hot Marijke ontploft door hitte'. Een kunstenaar heeft inderdaad een kunstwerk over haar gemaakt. Zijn installatie met zakken varkensvet en een vinylplaat waarop zij het recept voor geperste kop inleest, ontplofte in het Museum van Hedendaagse Kunst in Antwerpen. Intussen genoot een springlevende Hot Marijke allicht veilig thuis van een dampend kopje chilipeperthee.
Afwisselend geven Fleur van Groningen en Nico Dijkshoorn hun eigen kijk op de actualiteit. Verschenen op 25/07/2016 in Het Nieuwsblad.

woensdag 20 juli 2016

Ongeremde dagen

Dezer dagen delen vrouwen foto's van hun donzige oksels en kuiten onder de hashtag ‪#‎LesPrincessesOntDesPoils‬. Oftewel: prinsessen hebben haartjes. Daarmee verzetten zij zich tegen het taboe op vrouwelijk lichaamshaar. Want dat heb je tegenwoordig: vooroordelen en pesterijen worden op de sociale media fanatiek verguisd. Soms vraag ik me af wie ik zou zijn als ik met dat soort virtuele beschermengelen was opgegroeid. Want toen ik 16 was, was het anders. Dan gaf een klasgenoot je een botte opmerking en herkauwde je die in stilte. Als het echt erg was, at je 's middags je boterhammen op het toilet op, omdat je niet meer onder de mensen durfde te komen. Dan huilde je wat, met je hoofd tegen de volgeschreven plastic scheidingswand, terwijl in het aanpalende hok iets in een pot plonsde. Er was niemand die het voor je opnam, niemand die zei dat zij ongelijk hadden en jij gewoon jezelf mocht zijn. Je geloofde simpelweg dat je je moest aanpassen.
Ik herinner me dat ik eens het schoolplein betrad in een kort jurkje. Ik was opgewekt. Tot enkele klasgenoten me attendeerden op de “afstotelijke vacht” op mijn benen. De hele dag rolden zij afkeurend met hun ogen en schaamde ik me. We gingen met de klas naar de zoo, ik zag de harige enkeltjes van een vrolijk, ongeremd berggeitje en wist: mijn ongeremde dagen zijn voorbij.
's Avonds verzekerde mijn moeder me dat het blonde dons op mijn benen nauwelijks zichtbaar was en ik niet moest scheren: dat zou dikke, harde stoppels opleveren die ik regelmatig moest bijwerken. Maar na nog een dag vol kritiek op school, sloeg ik haar raad in de wind. Achttien jaar onthaar ik me nu al. Vele kostbare minuten, vele vierkante meters vel, vele balletposities onder de douche. Als er in 1998 sociale media hadden bestaan, was ik nu misschien geen stoppelige burger maar een donzige prinses.
Afwisselend geven Fleur van Groningen en Nico Dijkshoorn hun eigen kijk op de actualiteit. 'Ongeremde dagen' verscheen in Het Nieuwsblad, 20/07/2016

maandag 18 juli 2016

Goed en kwaad

“Hoe verklaar ik dit aan mijn kinderen?”, lees ik op Facebook, de dag na de aanslag in Nice. De ene moeder na de andere vraagt het zich online af. Samen komen ze er niet uit.
“Hoe verklaar ik dit aan mijn 88-jarige grootmoeder?”, denk ik. Zonet heb ik met haar getelefoneerd, ze was in dikke tranen, klonk verward. Ze heeft WO II meegemaakt, iets wat haar verdere leven naar mijn gevoel danig heeft beïnvloed. De huidige gebeurtenissen herinneren haar wellicht aan dat verleden. “Ze komen naar plaatsen waar veel mensen zijn”, waarschuwt mijn grootmoeder. “Zoals naar die feesten in Gent. Je gaat daar toch niet naar toe, hé? Ga nergens heen waar veel mensen zijn!” Ik antwoord dat ik dat niet kan beloven omdat ik de angst niet wil laten regeren en het leven sowieso vol risico's is. Ze zegt dat ze me niet verstaat. Haar stem slaat over. “Wat zeg je?” Ik bedenk me en antwoord wat ze wil horen: “Daar heb ik toch geen tijd voor.” Ze haalt opgelucht adem, begint over de kat op haar schoot.
Anderhalf jaar geleden, toen ik door een moeilijke periode ging, gaf mijn grootmoeder me advies: “Laat de harde, lelijke wereld nooit dichtbij komen en creëer je eigen veilige wereldje, met pianospelen, schilderen, schrijven, de natuur.” Ik begreep dat zij dat had gedaan. En het klonk aanlokkelijk, maar het is niet mijn weg. De dag na de aanslag in Nice stond ik behang af te steken in het huis dat mijn vriend en ik onlangs hebben gekocht. De radio stond op, de rauwe berichtgeving over de aanslag kwam onafgebroken binnen. Telkens ik in de keuken een kop thee ging halen, keek ik door het open raam naar de tuin die uitgeeft op het water. De zon reflecteerde schitterend tussen de waterlelies, gracieuze waterdieren gleden traag voorbij, de wind ruiste in de populieren. En ik wist: in mijn wereld bestaan goed én kwaad, lelijk én mooi. Het ene sluit het andere niet uit. Nooit.

Afwisselend geven Fleur van Groningen en Nico Dijkshoorn hun eigen kijk op de actualiteit.
Verschenen in Het Nieuwsblad, 18/07/2016

zaterdag 16 juli 2016

Annie en Jannie

 Een vriend van me twijfelt tussen twee vrouwen. Laten we hen voor het gemak Annie en Jannie noemen. Niet omdat ze echt zo heten, wel omdat ík het geestig zou vinden dat een volwassen man zich het hoofd breekt over dames die zo heten. En daar dan ernstig over praat, want dat doet hij. Hij weet niet wie te kiezen.

Nu heb ik Annie slechts eenmaal ontmoet en maar een paar van haar e-mails aan hem gelezen. Annie lijkt me een saaie truffel. Geen humor, gezeur over wat ze die ochtend gegeten heeft (weer een pannenkoek) en het gaat altijd maar over haarzelf. Nooit stelt ze een vraag. Annie lijkt mij het type dat na haar wilde jaren toch kleinburgerlijk blijkt te zijn. Dat net als haar mama een oer-Vlaams trapgevelhuis betrekt - met zo’n blokhutbrievenbus en een voortuintje vol grind-  om dan met de regelmaat van een koekoeksklok uit de voordeur  te stappen en te zuchten van “Ja, ja, het leven” en “Amai, het is toch wat, allemaal”. Wel heeft ze een mooi snoetje en een lekker lijf. Vandaar wellicht dat haar gezeur wordt getolereerd. Ze is een saai doch sierlijk twijgje met daaraan borsten als rijpe vruchten. En in bed vindt ze alles best. Althans, in het begin. Inmiddels geeft ze al wat minder gas tussen de lakens, wat mij doet vermoeden dat zij zo’n vrouw is die een man eerst geeft wat hij wil maar zodra de buit binnen is, geen vin meer verroert.
Nee, dan vind ik Jannie leuker. Die is al iets ouder en grappig, heeft het hart op de juiste plaats, is respectvol en ziet er lief uit. Maar vooral: ze lijkt iemand die kan geven, en dat is exact wat mijn genereuze vriend nodig heeft. Nu ja, zo denk ik erover. Zelf is hij er nog niet helemaal uit of hij wel een vaste relatie wil. En dus vroeg hij een kameraad, die vroeger ook al iets met Annie heeft gehad, om raad. “Als je wil rondfladderen, is Annie perfect. Wil je een vaste relatie, dan moet je voor Jannie kiezen”, luidde zijn advies. Nu ja, niet letterlijk, want die vrouwen heten niet zo - maar je snapt wat ik bedoel.

Na dat gesprek bedacht mijn twijfelende vriend dat:
a) Annie eigenlijk toch maar een egoïstische, saaie trut is. Met lekkere tieten.
b) Jannie misschien wel de vrouw van zijn leven is, als ze in bed nog wat losser wordt. En die kans zit er dik in.

 “Weet je”, zegt hij. “Zo’n meisje als Annie, dat heeft nog geen zelfrespect. Dat valt op mannen die haar slecht behandelen. Foute mannen. In het begin was ik zo’n man. Omdat ik zelf nog niet wist wat ik wilde, omdat ik op mijn vrijheid gesteld was. Dat vond ze aantrekkelijk: afgewezen worden. Dan kwam ze op me jagen. Maar na een tijdje kreeg ik behoefte aan meer diepgang. Ja… liefde misschien. Ik denk dat ik me stilaan toch wil binden. Toen draaiden de rollen om: zij werd de foute vrouw. Ik belandde in een vermoeiend machtspelletje.”
Ik knik en denk aan vroeger. Aan toen ik zelf nog een onzekere, jonge vrouw was en jawel, op mannen viel die mij, net zoals ikzelf, slecht behandelden. Zij hielden me een spiegel voor en dat begon ik pas na heel wat confrontaties te beseffen. Die mannen bleken dus waardevol gezelschap op het pad naar zelfrespect: door hen versnelde ik mijn pas.

Ik vraag me af wat Jannie uitstraalt, waardoor zij wél door beiden mannen als relatiemateriaal wordt aangeduid. Is het dat befaamde zelfrespect? “O, maar dat bedoelde hij niet, hoor”, zegt mijn vriend. “We waren het er over eens dat ik ook gewoon met zowel Annie als met Jannie in de koffer kon blijven duiken. Maar toen bedacht ik dat dat toch een risico was, voor het geval ze erachter komen.”



(Verschenen in Psychologies, Vlaamse editie in juni 2016)




woensdag 6 juli 2016

Het Voyeursmotel

Een getrouwde man, vader van twee kinderen, koopt een hotel om zijn gasten te bespioneren. Door zijn kijkgaten ziet hij veel meer dan alleen seks. Van diep verdriet tot koelbloedige moord –  zijn visie op de mensheid zal nooit meer dezelfde zijn.

tekst: Fleur van Groningen


Eind jaren zestig. De Amerikaan Gerald Foos koopt een motel nabij Denver, louter om mensen te kunnen bespioneren. In de plafonds van zijn kamers installeert hij met zijn vrouw Donna zogenaamde ventilatieroosters. Vanaf een donkere kruipzolder bespiedt hij zijn gasten door die roosters. Jaren aan een stuk schrijft hij zijn bevindingen op in een dagboek. Uiterlijke kenmerken, gespreksonderwerpen,  seksuele handelingen, geaardheid… Alles wordt minutieus genoteerd. Foos is getuige van ongelukkige huwelijken, seksuele revolutie, drugshandel en zelfs moord. Nooit wordt hij betrapt. Toch komt de dag waarop hij zijn verhaal met de buitenwereld wil delen. Daarvoor contacteert hij Guy Talese. Deze veelgeprezen journalist en bestsellerauteur uit New York – door sommigen ook wel ‘de beste journalist ooit’ en ‘de grondlegger van New Jouralism’ genoemd - werkt op dat moment aan zijn non-fictie boek De vrouw van de buurman, over seksualiteit in het Amerika van de vroege jaren vijftig. Foos’ eerste brief aan Talese, begin 1980, betekent het begin van een jarenlange correspondentie en enkele ontmoetingen, wat uiteindelijk resulteert in de publicatie van een nieuw boek. Op 12 juli 2016 zal Het voyeursmotel uitkomen.
Eerder dit jaar schreef Talese, inmiddels 84 jaar oud, voor het eerst over zijn contact met Foos in The New Yorker. Dat artikel zorgde voor de nodige ophef. Men vroeg zich af of Talese de grenzen van de journalistieke ethiek niet ruimschoots had overschreden. Enkele dagen geleden distantieerde de auteur zich alsnog van Het voyeurshotel. Er zou nieuwe informatie aan het licht zijn gekomen die het verhaal nog onwaarschijnlijker maakt dan het al klinkt. “Ik ga dit boek niet promoten”, beweerde Talese in The Washington Post. “Hoe kan ik, als het al zijn geloofwaardigheid al verloren heeft?”
Dit kan natuurlijk ook een poging zijn om zichzelf in te dekken voor de gevolgen van zijn samenwerking met een pervers individu, dat mogelijk zelfs medeplichtig is aan moord. Of het is een stunt. Een trucje van de auteur om het al zo mysterieuze motel in nog meer mist te hullen. Inmiddels heeft Talese zich weer bedacht – en vast niet voor het laatst. In The Times verklaarde hij dat hij verbaasd en gekwetst was geweest door de nieuwe informatie en daardoor wellicht dingen had gezegd die hij niet meende.
Hoe dan ook, waar of niet waar, wie zal dit boek niet willen lezen? Het voyeursmotel is bevredigender dan je ex Facebooken of de onderbroeken aan de waslijn van je buurvrouw bestuderen. Al voelt het bij tijd en wijlen toch als dat opengereten dier aan de kant van de weg: je wil het niet zien - toch kijk je.

Strikte geheimhouding
7 januari 1980. Guy Talese ontvangt een anonieme brief. Een man - getrouwd, vader van twee kinderen - schrijft dat hij een motel heeft gekocht om zijn cliënteel te kunnen bespieden. “De reden dat ik dit motel heb gekocht was dat ik mijn voyeuristische neigingen en mijn onweerstaanbare interesse in de manier waarop mensen hun leven leiden – zowel op sociaal als op seksueel gebied – wilde bevredigen, maar ook dat ik een antwoord zocht op de eeuwenoude vraag ‘hoe de mens seksualiteit beleeft in de privacy van zijn eigen slaapkamer’.”  Foos vertelt dat hij steeds notities maakte: volgens hem betreft het waardevolle informatie voor onderzoekers en wetenschappers. Zijn eigen schrijftalent vindt hij echter ondermaats en daarom stelt hij Talese voor om elkaar te ontmoeten en zijn manuscript met hem te delen. Aanvankelijk twijfelt Talese. Hij verfoeit de manier waarop deze man de privacy van zijn gasten heeft geschonden. Noch wil hij, als gerenommeerd non-fictie auteur, diens wens om anoniem geciteerd te worden inwilligen. Toch wint zijn nieuwsgierigheid het van zijn kritiek. Ze treffen elkaar in een vlieghaven. “Welkom in Denver, mijn naam is Gerald Foos”, zegt een gezette veertiger bij de bagageband. Onmiddellijk moet Talese een document ondertekenen dat hem verplicht tot geheimhouding. Pas in 2013 zal een bejaarde Foos hem van die plicht ontslaan.

Verlinkt door een stropdas
Later die dag, in een restaurant, beslist Foos dat hij Talese een kopie van zijn manuscript in stukken zal opsturen. Hij vertelt hoe zijn vrouw Donna en hij het motel kochten en er een ‘laboratorium’ van maakten. In de plafonds van zijn kamers installeerde hij ventilatieroosters zodat hij vanaf de zolder naar binnen kon kijken. Donna ging in de kamers op bed liggen, gaf aan of ze hem kon zien en indien nodig paste hij de roosters aan. “Dit proefondervindelijke proces duurde wekenlang en het was een uitputtingsslag – ik rende constant op en neer tussen de zolder en de kamers, mijn handen deden pijn van al die aanpassingen met de tang, en Donna, die mij hielp als ze vrij was van het ziekenhuis, was net zo uitgeput als ik. Maar ze klaagde nooit. Ze heeft in die tijd laten zien hoeveel ze van me hield. Waarom zou een vrouw haar echtgenoot met zoiets helpen? Dat kan toch alleen maar uit liefde zijn?”
In de zomer van 1966 begon Foos naar eigen zeggen zijn gasten te begluren. Soms was het opwindend en sloeg hij de hand aan zichzelf. Soms was het zo saai dat hij naast het kijkgat in slaap viel en zijn vrouw hem kwam wekken met een appel of een boterham. Of ze kwam naast hem liggen om samen naar het zwoegende koppel onder hen te loeren. Foos stelt dat zijn vrouw geen gluurster was maar de toegewijde echtgenote van een voyeur.
De avond van hun ontmoeting neemt Foos Talese mee naar wat hij zijn ‘ovservatieplatform’ noemt. Via een ladder in de bijkeuken van het motel komen ze op de schemerige zolder. Onder het lage puntdak ligt een looppad van meerdere lagen dik tapijt om voetstappen te dempen. Uit de roosters schijnen lichtbundels. Talese  - die zijn liefde voor mooie outfits van zijn vader, een trotse kleermaker met Italiaanse roots, heeft geërfd en thuis vierenveertig genummerde hoeden herbergt - kruipt in zijn elegante pak op handen en knieën naar een kijkgat. Hij beschrijft:“Ik keek wat Foos deed en deed hem na: ik ging op mijn knieën zitten en kroop naar het licht, waarna ik mijn nek zo ver mogelijk uitstrekte om zo veel mogelijk te zien (we botsten bijna met onze hoofden tegen elkaar), en zag een aantrekkelijk, naakt stel op het bed liggen en orale seks hebben.” Samen kijken ze een poosje toe. Tot Foos geërgerd Taleses zijden stropdas uit het rooster rukt. De roodgestreepte das bengelde vlak boven het koppel, dat niets in de gaten had omdat zij er met haar rug naartoe zat en hij genietend de ogen had gesloten.

God op zolder
Na die intieme belevenis met Foos, keert Talese terug naar zijn riante patriciërswoning in de Upper East Side in Manhattan. Foos begint hem het manuscript in delen op te sturen. Daarin staan gedetailleerde verslagen van seksuele technieken en uiterlijke kenmerken. Zo sluipt Foos regelmatig de kamers binnen om in de bagage de cupmaat van zijn vrouwelijke gasten te verifiëren. Hij gluurt naar gemeenschap tussen lesbiennes, koppels, overspeligen, en zélfs broer en zus. Een homokoppel verkleedt zich als schaap: “Ik heb nog nooit zo’n mooie schaap-jongen gezien”, kirt een mollige man alvorens zijn blatende minnaar te penetreren. Enkele stofzuigerverkopers genieten van een trio. Na afloop hoort Foos hoe ze hun koopwaar bespreken: de zuigtechnieken worden nog nét niet vergeleken.
Foos ergert zich aan de hoeveelheid tijd die zijn gasten aan televisiekijken en ruziën over geld besteden. Pijnlijk menselijk noemt hij dan weer de vrijages tussen verminkte soldaten en hun echtgenotes. Of het gebrek aan voorspel of de zelfs onbestaande sekslevens bij ingedommelde huwelijken. Foos acht zich een amateurseksuoloog in een grootschalig sociologisch onderzoek: zijn notities eindigt hij steeds met een conclusie waarin hij nakende scheidingen of duurzaam geluk voorspelt.
Als hij vreest in de problemen te komen omdat er in één van zijn kamers drugs wordt verhandeld, neemt hij de pillen weg en ziet nadien hoe de dealer zijn vriendin van diefstal verdenkt en wurgt.
De volgende morgen krijst een dienstmeisje dat er in kamer 10 een lijk ligt. “De Voyeur was eindelijk zijn eigen moraliteit onder ogen gekomen en zou eeuwig in stilte moeten lijden, maar hij zou nooit zijn gedrag of gedrag in deze situatie veroordelen”, noteert Foos daarop droogjes in zijn logboek. Hij begint zichzelf niet alleen ‘De Voyeur’ te noemen, hij lijkt zich superieur te wanen. Vermomde hij zijn ontaarde curiositeit eerder nog als pseudowetenschappelijk onderzoek, nu gaat hij als een zoldergod met zijn kameronderdanen experimenteren. Zo waarschuwt hij zijn gasten dat er een koffertje met 1000 dollar in het motel rondslingert en ziet een predikant het stiekem open wrikken. Of hij legt dildo’s in nachtkastjes en aanschouwt hoe een non zich daarmee tot ongekende hoogtes brengt.

Doodsbedreigingen
Gaandeweg verliest Foos zijn vertrouwen in de mensheid. Hij ontwikkelt zelfs een degout. En als lezer volg je hem, want al lezende treedt er een verontrustende gewenning op. Op de duur vraag je je niet meer af hoe Foos zo is geworden –  hij vertrouwde je al toe dat zijn eigen ouders nooit enige interesse in seks toonden en hij, als nieuwsgierige boerenjongen, dan maar zijn wulpse tante ging bespioneren. (Dat die toevallig graag naakt haar porseleinen poppencollectie voor het raam mocht bewonderen, was mooi meegenomen.) Je vergeet haast dat Foos naast een geestesziek roofdier ook wel eens een fantast zou kunnen zijn. Je negeert zelfs Talese’s twijfels over zijn oprechtheid nadat meerdere feiten niet blijken te kloppen. Nee,  als verslaafd kruip je liever weer bij Gerald Foos op zolder en kijk je gebiologeerd over zijn schouder mee hoe er beneden over geld wordt gegild, de televisie te hard staat en er voor het slapen gaan nog even plichtsgetrouw op een purperkleurige eikel wordt gezogen. Je vraagt je af of de koppels waarvan jij dénkt dat je ze kent, achter gesloten deuren ook zulke levens leiden. Je telt de keren dat je zelf je kruis hebt afgeveegd aan een hotelsprei.
In 1995 verkoopt Gerald Foos het motel. Vanwege zijn artritis geraakt hij niet meer op de ladder naar het zoldervertrek. Enkele jaren later wordt het gebouw gesloopt. In 2013 beslist Foos dat hij met zijn verhaal naar buiten wil komen. Hoewel hij onzeker is over de juridische afloop, is hij ervan overtuigd dat de privacyschendingen inmiddels verjaard zijn en er geen klachten van voormalige gasten zullen komen. Wel vreest hij voor de gevolgen van zijn aandeel in de moord: “Het zou een ernstige zaak kunnen worden omdat ik destijds de politie niet heb gebeld […] Ik zou veroordeeld kunnen worden voor dood door schuld. Wie zal het zeggen?” Telefonisch nodigt hij Talese bij hem thuis uit. “Ik zie dat jij nog altijd even netjes bent”, glimlacht hij Talese toe bij de begroeting. “Is dat dezelfde zijden stropdas die je droeg op de avond dat je met me meeging naar zolder?”
Ditmaal troont Foos Talese mee naar zijn kelder om hem daar zijn uitgebreide verzameling sportmemorabilia te tonen. Talese verklaart: “Een van de redenen waarom hij nu bereid was om als voyeur naar buiten te treden, was de media-aandacht die hij zou kunnen krijgen voor zijn verzameling, die naar eigen zeggen miljoenen waard was. Hij wilde die graag verkopen, samen met zijn grote huis waarvan hij de vele trappen niet meer kon beklimmen met zijn artritische knieën zonder te vergaan van de pijn.”
Of die waardevolle verzameling inmiddels verkocht is, is onduidelijk. Wel beweert Foos - op de foto’s in het boek te zien met een lange witte baard en een wandelstok - dat hij doodsbedreigingen krijgt. Hij durft zijn huis niet uit, de politie patrouilleert in de buurt. Het is dus maar de vraag of hij zal gaan kijken naar de verfilming van Het voyeurshotel. Want ja, de filmrechten zijn al gekocht. The Voyeur’s Motel zal geregisseerd worden door Academy Award winnaar Sam Mendes, onder andere Steven Spielberg produceert. Al bestaat de mogelijkheid dat die laatste zich vlak voor de première van de film distantieert omdat er nieuwe informatie aan het licht gekomen is.


Het voyeursmotel verschijnt op 12 juli bij uitgeverij Lebowski.

Dit artikel verscheen in De Morgen op 06/07/2016