donderdag 29 december 2016

Vlug, een pil!

Uit nieuwe cijfers van het Riziv blijkt dat nog nooit zo veel jongeren, kinderen, kleuters en peuters antidepressiva slikten als vandaag. De voorzitter van de Belgische Federatie van Psychologen noemt dat zorgwekkend: “Deze cijfers tonen aan dat onze maatschappij lijdt, maar het antwoord dat wij bieden is heel medisch.” Bovendien beïnvloeden deze pillen de karakters en groeiende hersenen van kinderen. Wellicht zou in veel gevallen therapie een meer verantwoorde oplossing zijn, maar in tegenstelling tot pillen wordt psychotherapie niet terugbetaald.
Van mijn 16de tot mijn 23ste kampte ik met een depressie. Omdat ik pillen symptoombestrijding vond, wilde ik de situatie bij de kern aanpakken via therapie. Een persoonlijke keuze, waarmee ik andermans beslissing niet wil veroordelen. Ik kwam bij een psychologe terecht die EMDR-therapie aanbood: een ­wetenschappelijk ondersteunde benadering waarbij je - kort samengevat - eerdere trauma’s herbeleeft en je interpretatie van die feiten herprogrammeert. Het was een zeer zware periode die me krachtiger en wijzer maakte. Maar tijdens die periode stuitte ik op veel kritiek in mijn omgeving en verloor ik mijn vrienden. Toen al rustte er een taboe op depressie.
En ook nu nog lijkt het alsof depressie nog synoniem staat voor zwak. Een zwakte die verstopt moet worden of, in hardnekkige gevallen, vlug weggeslikt met een pil. Dat is het gevolg van polair denken. Goed of slecht, superieur of inferieur, wij versus zij: polair denken is de oorzaak van alle vormen van intolerantie. Ook die jegens jezelf, wat volgens mijn ervaring tevens in neerslachtigheid kan uitmonden. Daarom wil ik in tijden van kerstboodschappen en nieuwjaarswensen oproepen tot meer denken vanuit eenheid. Opdat we ook de leerzame schaduwen in het leven toelaten, vergezeld van constructieve ondersteuning. Hoog tijd dat psychotherapie wordt terugbetaald.
(Afwisselend geven Fleur van Groningen en Nico Dijkshoorn hun eigen kijk op de actualiteit. 'Vlug, een pil!', verscheen in Het Nieuwsblad op 28 Dec. 2016.)

dinsdag 27 december 2016

Engel zonder vleugels

In de dorpsapotheek werken drie mensen. De apotheker zelf. Een jonge vrouw. En een oudere man die, als hij naar zijn clientèle luistert, het hoofd een beetje schuin houdt en de handen keurig in elkaar vouwt. Als een engel zonder vleugels. Misschien komt het door die houding dat zijn klanten uitweiden over hun lichamelijke ongemakken. Bij de apotheker en de vrouw leveren ze slechts hun voorschriften in en knikken ze beschaamd als hen een doos wordt aangereikt met de woorden: “Ah, dat is tegen aambeien, dat moet ge er driemaal per dag opsmeren.” Maar als de engelachtige man hen bedient, kunnen ze niet stoppen met praten. En natuurlijk sta ik dan achter hen in de rij en luister ik ongewild mee naar plastische beschrijvingen, onverwerkte emoties, diep gekreun en gezucht. Sommige mensen zijn zeer bedreven in het zonder ademhalen uitspreken van: “Ze-hebben- dat-buizeke-in-mijne-man-zijn-poep-gestoken-en-dan-zagen-we-alles-voorbij-komen-tot-in-het-zakske.” De oudere man antwoordt nooit. Zwijgend stalt hij producten uit en wacht hij tot men klaar is om te betalen. Wellicht huilt hij vanavond weer bij zijn vrouw - denk ik dan - niet begrijpend waarom mensen steeds hém uitkiezen voor hun wansmakelijke monologen.
Onlangs werd ik voor het eerst door hem bediend. Ik was vastbesloten om de arme man te sparen en geen details prijs te geven over de tenen van mijn vriend. Het was tenslotte Kerstmis. De man boog zijn hoofd schuin en vouwde zijn handen. Maar ik liet me niet kennen en klemde mijn kaken opeen. Toen wees hij op de door mij bestelde tube en overstelpte me met een stortvloed aan waarschuwingen. Met plastische beschrijvingen, dramatische kreunen en dreigende zuchten voorspelde hij de wansmakelijke toekomst van mijn vriend als hij deze crème niet zachtjes op zijn tenen zou deppen. En ik begreep: de volgende keer moet ook ik proberen deze man voor te zijn.
(Afwisselend geven Fleur van Groningen en Nico Dijkshoorn hun eigen kijk op de actualiteit. 'Engel zonder vleugels' verscheen op 26/12/16 in Het Nieuwsblad.)

maandag 19 december 2016

POEZENAVONTUUR

De rivier aan het einde van onze tuin was de afgelopen dagen bevroren. Gisteren keek ik vanuit het dakraam toe hoe mijn kat haar eerste voorzichtige stapjes op het ijs zette. Warme roze teentjes op het koude, glanzende grijs. Ik was wat bezorgd, want zo dik was het niet. Maar al gauw trippelde ze zichtbaar uitgelaten en nieuwsgierig naar de overkant. Ik glimlachte om haar poezenavontuur. Aan de andere oever ligt een stukje ontoegankelijk natuurgebied, waar reeën en ijsvogels huizen, en de distels en  braamstruiken schouderhoog tussen de loofbomen woekeren. Mijn kat zocht haar weg tussen de kale takken. Ik volgde het witte vlekje op haar rug tot ze uit het oog verdwenen was. Pas toen besefte ik dat indien ze niet zou terugkeren voor de dooi, ze niet meer thuis zou geraken. Nergens ligt er een lange tak over de rivier die als brug kan dienen. Luid riep ik haar naam. Er vloog een duif op - verder bleef het stil. Het was te laat… Mijn kat had het onbekende geroken.

Nadat  ik haar vannacht niet hoorde thuiskomen, spring ik deze morgen uit bed om door het raam naar de rivier te gaan kijken. Al het ijs is gesmolten. En ja hoor, aan de overkant zit ze. Een klein driekleurig vlekje poes tussen het riet. Snel trek ik een trui en een jeans aan. Ik bedenk dat er niets anders opzit dan een eindje om te rijden naar de huizen aan de achterzijde van het natuurgebied, en daar te vragen of ik door hun tuin mag om mijn huisdier te redden. Ik zoek rubberlaarzen en een dikke jas, en trek de voordeur achter me dicht. Zodra mijn poes me ziet buitenkomen, zet ze het op een klaaglijk miauwen. Hopend dat niemand anders me hoort, roep ik haar toe dat ik eraan kom. Bij wijze van antwoord mauwt ze nogmaals en zet ze een wit pootje in het ijskoude water. Met een schok trekt ze het terug. Ik kijk nog eens rond, nergens een tak te bespeuren.

Bij een moderne villa bel ik aan. De dame des huizes doet niet open maar roept iets onverstaanbaars vanachter een matglazen deur met twee transparante stroken. Ik zie haar ogen door de bovenste strook, zwaai met mijn transportbox voor de onderste en leg uit wat ik kom doen. Ze knikt. Ik ren de tuin in. Aan het einde van het keurige gazon verrijzen de braamstruiken. Vastbesloten baan ik me een weg. Distels trekken aan mijn haren, doornen haken in mijn vel. Maar ik zet door, in de naam der poezenliefde. Gelukkig roep ik nog nét niet: “Mammie komt eraan!”
Als ik eindelijk de rivier bereik, is het plekje tussen het riet leeg. Ik veeg het zweet –en wat bloed- van mijn voorhoofd en kijk rond. In de verte klinkt een enthousiaste kreet. Aan de overkant, voor de voordeur van ons huis, zit mijn kat.

Met takken in mijn haren en kleren vol klitten, strompel ik als een halve wilde terug de tuin van de villa in. De keurige eigenares komt me tegemoet. Verbaasd vertel ik haar wat ik heb gezien. Volgens de vrouw kan het niet anders dan dat ze heeft gezwommen: “Was uw poes nat?”
“Dat kon ik niet zien”, antwoord ik twijfelend. Als ze vervolgens een praatje begint te maken, onderbreek ik haar ongerust: “Het spijt me, maar ik moet dringend naar huis om mijn natte poes af te drogen.” De vrouw knikt begrijpend. Pas thuis, waar een kurkdroge kat me opwacht, besef ik dat mijn dirty mind me even in de steek heeft gelaten.

(Verschenen in NB Magazine, 17/12/2016)

woensdag 14 december 2016

Heerlijkste tijd van het jaar

Het Nieuwsblad - 14 Dec. 2016
In mijn vroegere dorp woonden mensen die zich in december en januari volledig lieten gaan. Dan prijkten er in hun tuin lichtgevende blauwe ijsberen en roze pinguïns, heupwiegende kerstmannen, kerstbomen die rond hun as draaiden en flikkerende getallen die het nakende jaartal aankondigden. Ondertussen schalden de belletjes van een onzichtbare arrenslee uit een verstopte geluidsbox en ­bengelden aan het dak talloze koorden met kerstmannen - geen suïcidale exemplaren, ook al leek dat wel zo. Ik mocht er niet aan denken om elke dag in dat huis te ontwaken, de gordijnen te openen en de verongelijkte blik van zo’n opgeknoopte kerstman te ontmoeten. Of daar ‘s avonds aan tafel uit te kijken op die hectische, flitsende show, die de hele nacht doorging en vast ook de slaapkamer hel verlichtte. Maar ik nam aan dat het voor die mensen de heerlijkste tijd van het jaar was en glimlachte daarom welwillend telkens als ik hun huis passeerde.
Gisteren schoof ik aan bij de kassa van een winkel waar ik anders nooit kom. Voor me stond een koppel. Zij zag eruit als Tinkelbel in een winterjas. Hij was meer het type Baloe de beer en droeg zowel een dikke jas als Crocs in legerprint. Tegen zijn buik klemde hij een plastic sneeuwman die volgens de verpakking heel luid ‘Merry Christmas’ kon zingen. ­Tinkelbel hield dan weer een doos vast met daarop: “Bewegend kersttafereel met licht- en geluidshow.” Ze keek ernaar en vroeg haar man: “Welk liedje denkt ge dat deze besneeuwde huisjes zingen?” “Jingle Bells”, antwoordde hij beslist. Opnieuw glimlachte ik. Ook dit koppel beleefde allicht de heerlijkste tijd van hun jaar. Tot ik de verbeten uitdrukking op hun gezichten zag. Mijn blik gleed over de jas en de Crocs met agressieve legervlekken. Opeens begreep ik het. Dit waren geen mensen die genoten. Dit waren mensen die wraak namen op hun buren.

Afwisselend geven Fleur van Groningen en Nico Dijkshoorn hun eigen kijk op de actualiteit.

maandag 12 december 2016

De een zijn dood

Het Nieuwsblad - 12 Dec. 2016
Pagina 2
In 'Het Nieuwsblad' ontdekte ik dat het taboe rond de dood is doorbroken en er tegenwoordig opener over wordt gesproken. Handig, aangezien we allemaal onderweg zijn naar onze laatste snik. Nu kunnen we daar gewoon eerlijk over zijn. Hoeven we niet langer een kulverhaal uit onze duim te zuigen indien er op feestjes terloops naar onze sterfelijkheid wordt gepolst. Mogen we met een gerust hart het d-woord hanteren in het bijzijn van de bomma en moeten we rouwbrieven niet meer verstoppen in de sokkenla. Ik vind dat een vooruitgang.
Blijkbaar heeft dit doorbroken taboe ook tot gevolg dat steeds meer mensen een opleiding tot begrafenisondernemer willen volgen. Die cursussen zouden uitpuilen en zelfs wachtlijsten hebben. Helaas hebben veel cursisten volgens de uitvaartsector de verkeerde instelling: ze willen vlug geld verdienen met de grootste zekerheid die er is. Maar zo zit de job niet in elkaar en daarom geven ze er al snel de brui aan.
Toen ik dat las, overwoog ik zelf om voor begrafenisondernemer te studeren. Niet om de rouwenden te pluimen, maar om het aanbod te vergroten. Meermaals heb ik afscheid moeten nemen van een dierbare in een deprimerend grauwe ruimte, waar een bleke stijve hark op monotone wijze clichés verspreidde. Als ik zelf het loodje leg en er mensen zijn die een ritueel nodig hebben om dat te verwerken, hoop ik dat dit op een aangenamere plek gebeurt. Ergens waar een zonnige sfeer hangt, het lekker ruikt, de muziek mooi is, de aanwezigen lekkere hapjes krijgen en indien gewenst een troostende, spinnende poes op schoot. Iets gezelligs! En als ik daar zo over denk, zijn er misschien nog wel die dat willen? ‘t Is dat ik niet gemaakt ben om dagelijks tussen de lijken te vertoeven, of ik had me vandaag nog op de wachtlijst gezet.

Afwisselend geven Fleur van Groningen en Nico Dijkshoorn hun eigen kijk op de actualiteit.

maandag 5 december 2016

ACTUA-week van 05/12 tot 09/12

Betrappen & verklikken 2/12/2016, Het Nieuwsblad, p.2
In ons land wordt dagelijks gestolen in winkels, maar de winkeleigenaars hebben vaak niet genoeg tijd om hun camerabeelden na te kijken en de dieven te vatten. Daarom werken twee Belgische ondernemers aan een website waarop de beelden kunnen worden bekeken door gewone mensen: ‘amateur-detectives’ die per dief een bedragje verdienen dat lager ligt dan het loon van professionele speurders.
Zelf heb ik één keer iets gestolen: in een warenhuis griste ik als peuter een oranje plastic slabestek in mijn buggy. Mijn moeder ontdekte het toen we thuis waren. Dat vertelde ze me pas jaren later: “En het was niet eens een mooi slabestek.” Ik voelde me vreselijk schuldig. Diefstal is niks voor mij. Maar voortdurend andere mensen betrappen en verklikken? Daarvan word ik minstens even ongelukkig - allicht zelfs verbitterd.
Wat voor mensen zouden dit werk wél graag doen? Misschien het omaatje dat in mijn vroegere dorp woont, de wereld vanachter haar vitragegordijn minutieus in de gaten houdt en alles van iedereen weet. Zij zou maar wat graag verklappen dat ze “de Jean van Marie-Paule” een pot augurken zag pikken in de Spar. Ware het niet dat de gezichten in deze camerabeelden worden geblurd, dan is de lol er deels af.
Maar wellicht zou het therapeutisch werk zijn voor Mobilhome Man: de meneer die dagelijks met een brede kampeerwagen door onze smalle straat vlamt en soms uitstapt om ons briesend te verbieden onze auto’s in de berm te parkeren zodat hij minder hoeft op te letten waar hij rijdt. Daarbij zwaait hij wild met zijn armen, spuwt hij speeksel als een fontein en dreigt hij met de toorn der dorpsgenoten. Zo’n man zou allicht een stuk tevredener door het leven gaan mocht hij vanuit zijn luie zetel échte criminelen kunnen vangen. Welja, zodra die website af is, bezorg ik hem de link.


Alcoholprobleem 7/12/2016, Het Nieuwsblad, p. 2

Op de sociale media deelt men enthousiast een open brief van de 28-jarige Gentenaar Kenny Vermeulen. Daarin biecht hij op dat hij een alcoholprobleem heeft. Tot die conclusie kwam Kenny nadat de Vereniging voor Alcohol- en andere Drugproblemen onlangs adviseerde om niet langer 21, maar nog 10 pintjes per week te nuttigen. Kenny is geen stiekeme drinker, maar bestelt tijdens het uitgaan heel wat wodka’s. Daarover kreeg hij nooit opmerkingen van zijn drinkebroers. Nu trekt hij zelf aan de alarmbel. “We vinden ons zuipen o zo fantastisch. Maar niemand durft er een ander op te wijzen dat we een gevaar zijn”, schrijft hij.


Het is inderdaad opvallend hoe sociaal aanvaard drinken is. Ik lust af en toe best een glaasje en soms drink ik er zelfs één te veel. Maar vroeger dronk ik jarenlang niet. Omdat alcoholisme bij mij in de familie zit. Omdat ik nog moest rijden. En omdat ik meestal niet zo houd van het gevoel beneveld te zijn. Dat ik niet meedronk op feestjes, oogstte steevast kritiek. Zelfs als ik met de wagen was. Je bent blijkbaar cool als je drinkt en een seut als je nuchter blijft. Zelf voelde ik mij toen ook een sukkelaar: terwijl iedereen losser werd door de drank en de gewaagdste pasjes op de dansvloer uitvoerde, hielp mijn colaatje niet tegen de onzekerheid. Ik was het muurbloempje dat iedereen samen ladderzat zag worden en daarna bloednuchter alleen naar huis reed.

In die tijd vertrouwde ik iemand toe dat ik me vaak onwennig voel tussen de mensen. Hij antwoordde dat de meesten dat hebben, waarom werd er anders zo veel gezopen? “Alcohol is een middel om alles vloeiender te laten verlopen en je emoties niet te voelen”, zei hij en bestelde nog een trappist. Sindsdien voel ik me een beetje een sukkelaar als ik meedrink. Zijn we allemaal zo sociaal en emotioneel gehandicapt dat we onze toevlucht in de fles moeten zoeken?


Krijsende mannen 9/12/16, Het NIeuwsblad p. 2


Bij onze noorderburen heeft ene Peter de Vroed het e-book ‘Men-struatie, de grote ontkenning’ geschreven. Hij verdiepte zich in de cyclus van zijn partner, sprak met talloze vrouwen over hun ervaringen. Nadat hij door middel van een elektro-apparaat zelf de maandelijkse krampen ervoer, ontwikkelde hij een theorie om die periode te veraangenamen. En nu pleit hij voor menstruatieverlof. Ook roept hij mannen op om dezelfde pijnuitdaging aan te gaan, opdat zij zich voortaan beter in vrouwen kunnen inleven en meer rekening met hen houden.

Sinds twee Nederlandse presentatoren weeën ondergingen met behulp van een bevallingssimulator, Staf en Mathias Coppens dat dunnetjes overdeden voor VTM en Erik Van Looy de eerste keer lachte in ‘De Slimste Mens’, weten we dat krijsende mannen steevast plezante televisie opleveren. Geen wonder dus dat Humberto Tan, de presentator van de Nederlandse talkshow ‘RTL Late Night’, gewillig aan de krampmachine ging hangen. Het luidruchtige resultaat staat nu op de Facebookpagina van eerder genoemd boek. Ik bekeek het filmpje met enig leedvermaak. Dat betekent dat ik ervan geniet als een ander mijn ongemakken beleeft - niks om trots op te zijn. 
Voorts bedacht ik dat er meer bij menstrueren komt kijken dan enkel krampen. Er is dat voortdurende gedoe op het toilet, waarbij je zo stil mogelijk met prijzige tampons en maandverband ritselt en nimmer aan de confrontatie met je eigen smerigheid ontkomt. Er is de schrik voor een bloedvlek op je broek, in het slechtste geval in de vorm van het profiel van Herman de Croo. Er zijn de huilaanvallen waaraan je niet ontsnapt; zelfs al herinner je je dat het hormonaal is, toch voel je je ellendig. Moeten mannen daarmee ook kennismaken? Want dat merkte een der Humberto’s praatgasten terecht op: jammer dat een vrouw pas wordt geloofd als een man hetzelfde ervaart.

Afwisselend geven Fleur van Groningen en Nico Dijkshoorn hun eigen kijk op de actualiteit.


zaterdag 3 december 2016

ZACHTHEID

Het begon in de kleuterklas. En het stopte pas toen ik de schoolpoort voor het laatst uit wandelde. Ze vonden me raar, deden gemeen. Als ik me in mezelf terugtrok, noemden ze me verwaand. Op een dag – ik was zestien- riep iemand me op straat na: “Gij, met uw arrogante smoel, gij denkt zeker dat ge ‘t zijt?!” Ik besloot om voortaan duidelijk te laten merken dat ik het goed meen, want blijkbaar straalde mijn uiterlijk het tegendeel uit. Zo ontstond de rol die ik mezelf op sociale aangelegenheden aanmat. Ik verplichtte mezelf om extrovert te zijn. Om hardop de grappen, opmerkingen en complimenten te maken die ik anders in stilte bedacht. Opdat mijn gezelschap me onbedreigend en misschien zelfs aardig zou vinden, en zich door mijn gevatte reacties op een veilig afstandje zou laten houden. Het was een onbewuste tactiek uit zelfbescherming. Vermoeiend, want ik moest voortdurend alert zijn. Pas toen ik in de twintig was, legde ik uit eenzaamheid mijn clownsmasker af. Voortaan zou ik toch mijn kwetsbare kant te tonen. Enkel zo kan je écht contact maken met anderen. Zodra ik anderen meer liet zien, deden zij dat ook. Ik ontdekte dat ik niet langer gepest werd. Dat niemand het volledig voor mekaar heeft. Dat je elkaar een dienst bewijst door samen menselijk te durven zijn.

Onlangs zag ik een vrouw in een talkshow op televisie. Ze maakte spitsvondige grapjes, wapperde met haar wimpers. Ze was enkel bezig met hoe zij overkwam en niet met wat er omging in de andere praatgasten. Ik begreep dat haar gekunsteldheid uit onzekerheid voortkwam maar dacht toch: “Zo wil ík niet zijn.” Al was ik ook nog steeds niet overal mezelf. Op feestjes ging ik nog in overdrive: daar sleurde de adrenaline me door de nacht, grappend, met een glas wijn. Nadien was ik telkens doodmoe. En beschaamd, omdat ik dingen had gedaan die ik anders niet zou doen. Die gêne voedde mijn mensenschuwheid. Nadien trok ik me weer voor een poosje terug uit de bewoonde wereld.
Dit oude patroon, waarvan ik me bewust werd dankzij de vrouw op tv, riep ik diezelfde avond nog een halt toe. Toen ik daarna op een feestje verscheen als gewoon mezelf, voelde ik me naakt. Ik was bang dat men me raar, onaardig of arrogant zouden vinden. Maar ik wist inmiddels dat je je niet aan andermans vooroordelen hoeft aan te passen. Op mijn zestiende kon ik de kritiek nog niet plaatsen, nu was ik wijzer. Na meermaals mezelf te blijven te midden van het feestgedruis –en nadien niet meer vermoeid en beschaamd te zijn-  wilde ik nooit meer terug naar vroeger.

Vanavond drinken mijn vriend en ik iets in een stampvolle bar. Hij zegt dat ik er anders uitzie dan anders. “Ik heb minder make-up op”, antwoord ik. “Nee, dat is het niet”, werpt hij tegen. “Je straalt een zachtheid uit die ik normaal enkel thuis te zien krijg.” Ik werp een blik naar de spiegelende muur achter de bar en ontwaar mijn hoofd tussen de rijen glazen. Zelf zie ik geen verandering maar ik weet dat ze er is.


(‘Zachtheid’ verscheen op 03/12/2016 in NB Magazine)

vrijdag 2 december 2016

ACTUA-week van 28/11- 02/12


Maandag 28 november 2016

Een klein mensje
Vlaanderen is in de ban is van het avondrood, schreef deze krant. Dat ondervind ik zelf ook:  Twitter, Instagram en Facebook bulken van de indrukwekkende zonsondergangen. Gisteren likete ik dezelfde zonsondergang vanuit wel zevenentwintig verschillende standpunten. Want voor één keer lijken mijn virtuele vrienden het met elkaar eens. De discussies over Donald Trump en Zwarte Piet zijn verstild. Eensgezind posten ze dagelijks vijftig tinten roze en dopen die ‘De mooiste zonsondergangen van het jaar.’ Maar dat klopt niet volgens weerman Frank Deboosere. Het kleurenpalet is onveranderd. Het enige verschil is dat de zon nu al om vijf uur ondergaat, telkens we op weg naar huis vastzitten in de avondspits en verveeld om ons heen  beginnen te kijken. In de zomer zinkt de zon pas rond de negenen achter de horizon, als we al binnen voor de tv zitten geparkeerd. Dan staren we massaal naar het roze van de wangen van Jan Mulder en Wim De Vilder - al worden we daar aanzienlijk minder lyrisch van.
Ik zou hier cynisch over kunnen doen. In plaats daarvan herstelt de huidige geestdrift voor het avondrood mijn geloof in de mensheid een beetje. Soms vrees ik dat men tegenwoordig te zeer wordt afgeleid - door technologische snufjes, politiek, geld, porno, imago, velerlei externe prikkels en een algemeen aanvaarde gejaagdheid- om zich nog open te stellen voor ontroering. Soms vrees ik dat een gebrek aan poëzie de norm is. Maar blijkbaar blijft de honger naar schoonheid  toch overeind. Misschien omdat  iets dat grootser is dan wij, ons een moment onszelf doet vergeten.
Als je naar de zonsondergang kijkt, ben je niet bezig met je ambities, selfies, plichten en zorgen. Je bent slechts een klein mensje onder een oneindige, veelkleurige hemelkoepel. Tot je je smartphone ter hand neemt, in een poging die ervaring op Instagram te posten. Dan wordt de betovering onherroepelijk weer verbroken. 

Woensdag 30 november 2016 

Uitdaging
Sinds de acteurs uit ‘Thuis’ het hebben gedemonstreerd, weet ook ik wat de ‘Mannequin Challenge’ is: te midden van een activiteit plots als een onbeweeglijke etalagepop poseren voor de camera en het resultaat op de sociale media zwieren. Ik heb ooit een man gekend die tijdens de bedactiviteiten in een onbeweeglijke pop veranderde. Toen dacht ik dat dat een probleem was. Nu weet ik: hij was een extreem hippe kerel, het betrof de Mannequin Challenge avant la lettre, ik had op dat moment gewoon een foto van hem moeten nemen.
Nu ik dus eindelijk begrijp wat de Mannequin Challenge inhoudt, is die alweer oud nieuws. Vrouwen storten zich tegenwoordig massaal op de ‘One-finger Selfie Challenge’. Hierbij poseren ze naakt voor de spiegel met een strategisch geplaatste vinger die tegelijk hun kruis én de boezem van hun spiegelbeeld bedekt. Opnieuw duurde het even voor ik het snapte: ik bleef maar zoeken naar waar al die blote vrouwen wezen. Eén van hen had geposeerd in de badkamer, omringd door flesjes en vuile was. Dat had iets heel kwetsbaars, vond ik, zo overduidelijk opgeslorpt zijn door je blote lijf dat je niet ziet dat je vuile onderbroek in beeld ligt.
Voor mannen die hun edele delen niet achter één vingertje kwijt kunnen -of willen- is er de ‘Grey Sweatpants Challenge’. Dat is een uitdaging waarbij ze hun mannelijkheid etaleren doorheen de weinig verhullende stof van een lichtgrijze joggingbroek. Allicht duwen ze er stiekem nog een bol sokken of een wortel bij. Dat heeft andere mannen op het idee gebracht om met een zichtbaar voorwerp in hun sweatpants te poseren. Van een plant tot een synthesizer en zelfs een trommel, niets is hen te gek. Ik ben dan wel geen man, ik wilde toch weten wat ik zou voelen als ik poseerde voor een selfie met een trommel in mijn broek.  Het bleek het befaamde ‘Is dit alles?’-gevoel.

Vrijdag 2 december 2016


Teamspirit
Het is weer vrijdag. Misschien hebt u de gewoonte om dan in keurig kantoorjargon nog even bij uw collega te informeren naar een ingewikkelde kwestie op het werk. Iets waarbij er gefocust moet worden op te managen targets, die teruggekoppeld dienen te worden en dus best even op mail worden gezet, rekening houdend met het feit dat er een stukje persoonlijke ontwikkeling valt te rapen binnen de win-win-situatie indien men bereid is om tijdens de volgende vergadering op transparante én flexibele wijze uit de comfort zone te stappen en geheel outside de box te denken in het kader van proactieve feedback op zowel het sociaal kapitaal àls het DNA van het bedrijf. Zoiets.
Wel, dat soort vragen mogen we niet langer stellen, vindt zakelijk auteur Michael Kerr. Toch niet op vrijdagmiddag. Want dan schakelen onze collega’s al over op weekendmodus en hebben ze een spuug hekel aan beladen, werkgerelateerde onderwerpen. Die bezorgen hen stress. Volgens Kerr is het bevorderlijker voor de teamspirit om op vrijdag luchtig naar de weekendplannen van collega’s te informeren. Dat deden de werknemers op het kantoor waar ik vroeger werkte. En daar kreeg ik juist extra stress van. Want voor hen ging de ratrace ’s weekends gewoon door. Dan zaten we te lunchen in een kale grijze ruimte met een luid tikkende wandklok en somden zij gejaagd kauwend op: voetballen, muurklimmen, naar de nagelstylist én een familiefeest, shoppen, dansen, fitnessen, naar het autosalon…  Over onze boterhamdozen werd er met weekendactiviteiten gepingpongd tot diegene met de meeste plannen overbleef en zelfingenomen in haar wrap van Jeroen Meus beet. En dan vroeg zij mij triomfantelijk: “En jij?” Dat mijn vrije dagen niet volgestouwd zaten, vonden mijn collega’s zichtbaar zielig. Die eensgezindheid leek wel bevorderlijk voor hun teamspirit.

Afwisselend geven Fleur van Groningen en Nico Dijkshoorn hun eigen kijk op de actualiteit in Het Nieuwsblad.

dinsdag 29 november 2016

FANTOOMPIJN

De dag waarop de waarheid aan het licht komt, is er één waarvan je weet dat je hem niet zult vergeten. Je voert je handelingen net iets trager uit dan anders, alsof je je in een andere tijdzone bevindt. Misschien ben je wel met iets banaals bezig, net als ik. Ik wacht in mijn auto voor een stoplicht dat al verdacht lang op rood staat. Mijn ruitenwissers vegen ritmisch de voorruit schoon.
Het is een uur of elf ’s avonds: het wegdek is zwart, de lucht is zwart. In het oranje schijnsel van een lantaarnpaal dwarrelen roestbruine herfstbladeren naar beneden. Net iets trager dan anders. Misschien ben ik niet toevallig in hetzelfde quartier waar het destijds allemaal gebeurde. Ik kijk om me heen. Ook de huizen zijn zwart. Hun deuren gesloten, hun vensters verduisterd. De straatverlichting doet de natgeregende richeltjes blinken. Horizontale en verticale lijnen, alsof de nacht wordt opgedeeld in een simplistische tabel.

De dag waarop de waarheid aan het licht komt, huil je geen seconde. Wellicht heb je net als ik het verdriet over wat er gebeurd is, jaren geleden al van je afgeschud. Vandaag ben je verbaasd. Stomverbaasd. Dat je het niet gezien hebt! Dat je het geloofd hebt! Dat het je ervan overtuigde om dingen te doen die je anders niet zou gedaan hebben! Dingen waar je nu spijt van hebt. Maar je kunt niet terug. Misschien probeer je dat wel even. Herschep je in gedachten de levenslopen van alle betrokkenen – om dan tot de voorzichtige conclusie te komen dat niemand daar beter van wordt. Misschien speur je net als ik naar je zwakke plekken van toen, om ze alsnog te bewapenen. Analyseer je zelfs je oude noden en motieven, opdat die niet langer tegen je gebruikt zouden kunnen worden. Maar dan besef je: je bent al veranderd. Dat deed de ervaring met je. Wie zou je zijn geweest als dit jou niet was overkomen?

Wellicht ontsteek je desondanks toch nog in een koleire. Herhaal je, net als ik op het repetitieve tempo van de ruitenwissers, alle onrecht en leugens voor je geestesoog. Beleef je weer die kleine, venijnige taferelen. Zie je jezelf krimpen in plaats van opstaan, kruipen in plaats van vechten, zwijgen in plaats van spreken – met als enige getuigen een tafel, wat stoelen, twee borden, een volle wasmand, een stapel paperassen, een nieuw paar hoge hakken, een vuile koffiemok. Ach, wat heb je aan zelfmedelijden. Of is het zelfrespect? Kom je eindelijk in opstand nu er geen puzzelstukken meer ontbreken?

Vervolgens probeer je de leugens te doorgronden. Wat lag er aan de oorzaak, wat moesten ze bewerkstelligen? Betrof het een rookgordijn dat de armetierige waarheid moest verhullen? Een vlechtwerk waarin hier en daar iets authentieks verweven zat, waardoor het geheel geloofwaardig overkwam? Als het antwoord je begint te dagen, steekt een nieuwe pijn de kop op. Het verlies van iets dat nooit heeft bestaan. Afscheid van een geest. Misschien doop je het, net als ik: fantoompijn. En sla je, als het licht op groen springt, linksaf de snelweg op, tegen honderdtwintig kilometer per uur naar je nieuwe leven. Want op de dag waarop de waarheid aan het licht komt, is er slechts één verlossend besef: wat de ander doet is zijn verantwoordelijkheid, wat jij doet de jouwe.

'Fantoompijn' verscheen op 28/11/2016 in Het Nieuwsblad Magazine.

woensdag 23 november 2016

Recensie 'Ik haat het internet'

'Het slechte boek dat u nu leest telt zo’n 76.500 woorden'
Zit de wereld te wachten op een slecht boek? Volgens Jarett Kobek wel. Met Ik haat het internet geeft hij een morele les over het digitale tijdperk. Smakelijk leesvoer is het niet en dat is allicht de bedoeling: ‘Dit is een slecht boek. De plot, net als het leven, leidt nergens naartoe.’

tekst en illustraties: Fleur van Groningen

Mocht iemand me zeggen: ‘Je moet Aurelie écht eens ontmoeten, ze lijkt wat op Marleen, heeft trekjes van Jeroen en ook wat eigenschappen van Elspeth’, dan zou ik niet staan te popelen om nader met haar kennis te maken. Zelfs al was ik al jaren dol op Marleen, Jeroen en Elspeth. Dit soort uitspraken schept immers verwachtingen die mogelijk niet ingevuld kunnen worden en suggereert bovendien een ontmoedigend gebrek aan eigenheid. Misschien was het daarom dat ik onmiddellijk weerstand voelde bij het lezen van Ik haat het internet, de eerste roman van de Turks-Amerikaanse auteur Jarett Kobek, door The New York Times ook wel omschreven als ‘Een beetje Houellebecq, een beetje Piketty en een beetje Ambrose Bierce (Amerikaanse satiricus,1842-1914?, nvdr.).'
Al zou ik het net zo goed aan de schrijfstijl van Kobek kunnen wijten. De man legt zich voornamelijk toe op essays voor musea en galerieën. Zijn eerste novelle Atta was een fictieve biografie van Mohamed Atta, de vermoedelijke piloot van het eerste gekaapte vliegtuig dat zich op 11 september 2001 in het World Trade Center boorde. Met Ik haat het internet lijkt hij zich nu te richten tot creaturen met een abominabel geheugen en een eerder beperkt IQ, die er toch van dromen om ooit in De slimste mens ter wereld indruk te maken op hun tegenstanders. Het boek barst immers van de flauwe afkooksels van Wikipedia-artikels, voor de gelegenheid eventjes door de verleden tijd gehaald: ‘De iPhone was een smartphone die door Apple op de markt was gebracht. Smartphones waren computertjes die bijna alles konden wat grote computers ook deden maar die bovendien als een mobiele telefoon functioneerden. De iPhone betekende een grote sprong voorwaarts voor smartphones, vanwege twee eigenschappen: 1) Het scherm en de bediening maakten gebruik van een multitouchsysteem - gebruikers schoven met hun vingers over het fysieke oppervlak om de iPhone te laten doen wat ze wilden. Ze stuurden de techniek aan onder het uitsmeren van hun vleesvet. 2) Apple maakte een platform voor de iPhone waardoor de gebruikers tijdens het gebruik van de iPhone aanvullende software voor de iPhone konden ontwerpen of kopen. Dergelijke software heette een application, maar was beter bekend onder de naam app. Je kon apps kopen in de Apple App Store. In 2010 had Apple een nieuw product ontwikkeld, genaamd de iPad. De iPad was een iPhone met een groter scherm die niet als mobiele telefoon kon functioneren. De iPad was een tablet. Alle apps voor de iPhone konden erop geïnstalleerd worden.”
Gelukkig worden deze gortdroge passages hier en daar opgeleukt met wat sarcastische bedenkingen. Maar echt smakelijk leesvoer is het niet. Het bezorgt je al vlug het akelige gevoel dat je je op een teleurstellend feest bevindt, waar je op de een of andere manier in een hoek bent beland met een gefrustreerd heerschap dat jou gijzelt met zijn vermoeiende monoloog zonder dat ook maar iemand je komt redden. 

 Ontmoedigend
De flinterdunne verhaallijn van Ik haat het internet biedt ook geen soelaas. Adeline woont in San Francisco en tekent stripverhalen. Ze geniet enige bekendheid. Op een dag belandt haar mening op het internet en gaat daar viraal, met alle gevolgen van dien. Even worden haar lotgevallen onderbroken door die van Ellen, wier leven voorgoed voorbij lijkt te zijn nadat iemand beelden op het wereldwijde web plaatste waarop te zien is hoe ze haar ex-vriendje pijpt.Veel meer gebeurt er verder niet. Een climax of conclusie blijft uit. Je leert Adeline noch Ellen goed kennen. Als deze vrouwen al over een gevoelsleven en een uitgesproken visie beschikken, dan blijft deze keurig verborgen onder het feitenoppervlak. Daardoor is het onmogelijk om een band met hen op te bouwen. Op de laatste bladzijde van het boek ben je juist opgelucht dat het pad van deze personages wellicht nooit meer het jouwe zal kruisen.
Allicht is de verhaallijn opzettelijk ondergeschikt aan het statement dat de auteur wil maken. Kobek is zich maar al te goed bewust van zijn tekortkomingen. ‘Dit is een zeer warrig boek met een hoofdpersoon die er nooit in voorkomt. De plot, net als het leven, leidt nergens naartoe en gaat over zinloos emotioneel leed. De schrijver van dit boek heeft het schrijven van goede boeken opgegeven toen hij besefte dat het goede boek, als concept, was bedacht door de Central Intelligence Agency. Dit is geen grap. Dit is waar’, legt hij samenzweerderig uit. Op bladzijde 47 waarschuwt hij zelfs al: ‘Het slechte boek dat u nu leest telt zo’n 76.500 woorden’. Een beetje ontmoedigend als je beseft dat je er dan nog heel wat te gaan hebt. En alsof dat niet genoeg is, voegt Kobek er fijntjes aan toe: ‘Nu gebruikten schrijvers computers, de bijproducten van het geheimzinnige vermogen van het mondiale kapitalisme om het bevolkingsoverschot in te zetten als permanente bedienden. Alle computers op de wereld waren gemaakt door slaven in China. De Amerikaanse literatuur was bezig met het uitbuiten van slavenarbeid. Een voorbeeld hiervan is het boek dat je nu aan het lezen bent. Dit slechte boek, een morele les over het Internet, is geschreven op een computer. Je ondergaat nu de morele verontwaardiging van een hypocriete schrijver die geprofiteerd heeft van de opbrengsten van slavernij.’
Even is dit soort kritische zelfspot best te pruimen. Maar op den duur wordt het ergerlijk hol. Je ontwikkelt een degout jegens Kobeks geraas en verlangt ernaar om je tijd nuttiger te besteden dan geïrriteerd op de bank te zitten met een slecht boek. Waarschijnlijk is dat exact wat Kobek met zijn antiroman ambieert. Het boek springt van de hak op de tak, zaait verwarring, is onpersoonlijk en vluchtig, lokt je verder met een onverzadigend zweempje seks en lijkt in te spelen op een extreem korte aandachtsspanne. Door te strooien met overbodige informatie maskeert het bovendien op doorzichtige wijze een gebrek aan emotionele intelligentie en diepgang. Met andere woorden: dit boek heeft dezelfde eigenschappen als een op geld en hits beluste website. En dat bevestigt Kobek ook: 'De enige oplossing voor het Internet was slechte boeken schrijven met hoofdpersonages die er niet in voorkomen. De enige oplossing was slechte boeken schrijven die net als het computernetwerk geobsedeerd zijn door junkmedia. De enige oplossing was slechte boeken schrijven die net als het computernetwerk informatie op irrelevante en krankzinnige wijze weergaven.”

Biggetjesroze
Ik haat het internet wordt door Xander Uitgevers voorgesteld als ‘een grensverleggende roman over macht en moraal in ons digitale tijdperk’. Mogelijk slaat ‘grensverleggend’ op de weigering van de auteur om schoonheid te creëren - lezers die op bezielde woordkunst en literair genot hopen, blijven op hun honger zitten - maar wellicht duidt de term vooral op de gedurfde ontmaskering van hedendaagse manipulators.Tussen de uitleggerige alinea’s en de virtuele avontuurtjes van Ellen en Adeline, trekt Kobek immers van leer tegen internetcriminaliteit, kapitalisme, religie, politiek, de celebritycultus en de lafheid van de huidige tijdsgeest. Hij klaagt het racisme aan: ‘Volgens een bepaalde groep mensen die zichzelf Kleurlingen noemden - wat een opvallend beledigende en ondoordachte benaming was - en volgens leden van het Blanke ras, was een gekleurde huid het zichtbare bijproduct van de aanwezigheid van melanine in de kiemlaag van een opperhuid. Melanine werd geproduceerd door melanocyten, cellen die zich naast de basale cellen bevinden in de kiemlaag van de opperhuid. Bij histopathologische onderzoeken ziet melanine er een beetje uit als een opgedroogde mosterdvlek. De meeste leden van het Blanke ras waren zo gewend aan hun biggetjesroze dat ze het helemaal niet meer zagen. Voor hen was hun biggetjesroze net zo onzichtbaar als de genocide die hun voorouders hadden gepleegd. (...) Een complete sociale hiërarchie was gebouwd op mosterdvlekken in de opperhuid. Dit is een van de redenen waarom velen de menselijke soort maar een stel domme klootzakken vinden.’
Een enigszins geestige analyse die helaas snel aan speelsheid inboet als Kobek vervolgens bij iedere persoon die hij vermeldt - en dat zijn er nogal wat - aangeeft of het gaat om iemand met veel, een beetje of helemaal geen melanine in de kiemlaag van zijn opperhuid. Je moet tegen herhaling kunnen, wil je zijn boek uitkrijgen.Maar wie volhoudt, ontdekt dat Kobek - nu hij toch bezig is met grenzen verleggen - iets doet wat men niet zo gauw van fulminerende mannen verwacht: hij neemt het op voor de vrouw. Kobek beschrijft hoe er van het zwakke geslacht een continue waakzaamheid wordt verlangd in een maatschappij die vrouwen haat. ‘Mannen hebben millennia lang vrouwen als oud vuil behandeld. Een theorie over het ontstaan van deze sociale ordening luidt dat vrouwen door hun gebrek aan kracht in het bovenlichaam minder goed het land konden ploegen of met zwaarden konden zwaaien. Ploegen op het land leverde voedsel op. Zwaaien met zwaarden leverde dode mensen op. In de meeste samenlevingen - doorgaans gedomineerd door mannen - werd vooral waarde gehecht aan eten en doden. Deze nadruk op kracht boven intelligentie ging handig voorbij aan het feit dat vrouwen slimmer zijn dan mannen.’


De cupcake en het taartje
Wellicht schuilt er een geëngageerde wereldverbeteraar in Jarett Kobek en hoopt hij met deze worp werkelijk tot zijn medemens door te dringen. Dat zou zijn keuze voor een antiroman verklaren: met deze onderwerpen was een andere vorm wellicht te moraliserend bevonden.
En nog voor het naar het diversiteitsproject van de Eén-soap Thuis begint te ruiken, overgiet Kobek zijn pamflet hier en daar met een bot gevoel voor humor, gebaseerd op herkenbare minachting. ‘Ze was tot de conclusie gekomen dat Erik Willems een leeg vat was. Er zat niets achter zijn ogen. Geen ziel, geen intelligentie. Ze was stukje bij beetje tot deze conclusie gekomen. Het begon toen Erik aan Adeline vertelde over een seksuele dubbelzinnigheid die in zijn milieu gebruikelijk was. ‘We noemen ze,’ zei hij, ‘de cupcake en het taartje.’ ‘Wat noemen jullie de cupcake en het taartje?’ vroeg Adeline. ‘De kut en de kont. Dat zijn de cupcake en het taartje. Want de een smaakt zuur en de ander smaakt zoet.’ ‘Lieve schat,’ zei Adeline, ‘wat is dan wat?’ ‘Dat is het mysterie van de cupcake en het taartje. Niemand die het weet. Het hangt af van je persoonlijke voorkeur.’ Adeline had lang gedacht dat je alleen goede seks kon hebben met mensen die over een zekere basisintelligentie beschikten. Er moest iets achter de ogen zitten. Maar Erik Willems was leeg en toch neukte hij als een beest. Hij had verstand van zowel de cupcake als het taartje. De seks was een openbaring.’
Helaas, omdat de roman zo onpersoonlijk is en het verhaal zo vrijblijvend, blijft ook de humor niet lang genoeg hangen om het geheel wat aangenamer te maken. Ik haat het internet is een ergerlijk boek. Allicht zal het sommigen bekoren en wie weet zelfs een tijdlang wakker schudden. Ontspannend is het niet. Mijn al zo overprikkelde geest geraakte nog vermoeider. Al lezende ging ik steeds meer snakken naar een wandeling door een stil bos, naar schoonheid, naar iets wat mijn hart zou beroeren in dit rappe, rationele tijdperk vol meningen en getier.
Toegegeven: zodra ik het boek uit had, ging ik de rest van de dag offline. Jarett Kobek zou tevreden zijn.


Jarett Kobek,Ik haat het internet Xander Uitgevers, 336 p., 19,99 euro.
Deze recensie verscheen in De Morgen Boeken op 23/11/2016.












zaterdag 19 november 2016

DEZE MAN

Zacht zwaait de deur van de slaapkamer open. Het fletse maanlicht trekt een streep over het bed. Mijn kat en ik knipperen met onze ogen. “Hey.” Zijn stem breekt de nacht in twee. Hij kleedt zich uit. Eerst zijn broek, dan zijn trui. Slaperig gluur ik naar zijn blote billen. “Ik ben naar huis gekomen…”, fluistert hij terwijl hij onder de donsdeken kruipt en zijn warme lijf tegen het mijne drukt, “…om je wat liefde te geven.”Behaaglijk druk ik me tegen hem aan. In zijn hals probeer ik zijn geur op te snuiven. Het lukt niet. Verstopte neus. “Ik kan niet geloven dat je er bent!”, fluister ik terug. Zelfs mijn fluisterstem klinkt snotterig. “Hoe laat is het?” “Een uur of vier.” Hij slaat zijn armen om me heen. “Ik stink waarschijnlijk wel een beetje”, waarschuw ik. Bij wijze van antwoord drukt hij zijn neus in mijn zweterige haren.
Sinds een week ben ik ziek. Ik kon niet naar de winkel of de apotheek, leefde op wat de voorraadkast te bieden had en fantaseerde over neusspray en citroenen. Deadlines haalde ik vanuit bed, met een hoofd vol watten. Ondertussen verbleef mijn vriend voor zijn werk op een buitenlandse filmset en belde hij af en toe op om te horen hoe het ging. Toen hij zich zorgen begon te maken, antwoordde ik dat ik het gewend ben om in mijn eentje ziek te zijn. Voor ik hem ontmoette was er meestal niemand die me kwam verzorgen. Dat zei ik met een zekere trots: omringd door volgesnoten tissues waande ik me een onafhankelijke vrouw. Maar dat weerhield mijn vriend er niet van om vannacht toch naar me toe te rijden. “Morgen maak ik je iets te eten en doe ik boodschappen voor ik weer vertrek”, belooft hij aan mijn oor. Iets later wordt zijn ademhaling regelmatig. Zelf kan ik de slaap nog niet vatten.
Ik denk aan een gesprek met een vrouw, niet zo lang geleden. Ik vertelde haar dat ik in de bevrijdende fuck-it fase ben aanbeland; dat ik me minder aantrek van wat anderen van me vinden. Zij antwoordde dat ze die fase ook heeft bereikt. “Het komt door je man, niet?”, vroeg ze en knikte naar de hare. “Sinds ik hem ken ben ik een sterker mens.” Ik gaf haar gelijk. Mijn vriend bezorgt me het gevoel dat ik veilig ben. Ik denk dat ik daar mijn hele leven naar zocht. Veiligheid moest ik in mijn kindertijd ontberen. Maar het is een basisbehoefte: het zorgt ervoor dat je bepaalde facetten van jezelf kunt ontplooien. Zo lang het je eraan ontbreekt, kom je niet aan die ontwikkeling toe. En het mooie is dat de liefde die ik nu ervaar, me inzichten brengt die me niet ontnomen kunnen worden. Zélfs als die liefde ooit verdwijnt. Ik leer mezelf veiligheid te bieden.
In het donker draai ik me om naar mijn vriend. De deur staat op een kier, de streep maanlicht heeft zijn gesloten oogleden gevonden. Terwijl ik naar zijn slapende gezicht kijk, word ik overspoeld door dankbaarheid. Al vaak had ik ontzag voor de liefde van sommige vrouwen, die zo allesomvattend kan zijn dat ze levens verandert. Vannacht bewonder ik het vermogen tot liefhebben van deze man, die mij helpt te worden wie ik bedoeld ben te zijn. Achter elke sterke man staat een sterke vrouw, luidt het generaliserende gezegde. Wellicht staat achter heel wat sterke vrouwen een sterke man. Mijn dankbaarheid is geen pleidooi voor afhankelijkheid. Het is een erkenning van kracht. 
In de stilte van de nacht kus ik traag zijn hand.

(Verschenen in Het Nieuwsblad Magazine op 19/11/2016)

woensdag 16 november 2016

Mediumtalk

Ze noemen het smalltalk. Gesprekken waarbij er enkel oppervlakkige informatie wordt uitgewisseld. Sommige mensen zijn daar ongelooflijk bedreven in. Zo heb ik al aan tafels ­gezeten waarbij er anderhalf uur wordt gesproken over de voor- en nadelen van vloerverwarming, waarop de conversatie naadloos overging in een drieënhalf uur durende uiteenzetting over cementsluierverwijderaar. Het alternatief lijkt vijf uur ruzie­maken over politiek. Al bestaan er ook mensen die uitstekend hun activiteiten kunnen opsommen zonder zich af te vragen of de ander daar iets aan heeft. Zo'n emotiearme monoloog wordt meestal monotoon afgevuurd en gaat ongeveer als volgt: “We zijn naar de markt geweest voor nieuwe kousen, want die van onze Patrick waren versleten, daarna zijn we een koffie gaan drinken bij Maria op de hoek, daar zaten Magda en Danny, die waren onderhemdjes gaan kopen, 's middags hebben we een wafel gegeten en het regende, weeral, we zijn dan met de kinderen naar de cinema gegaan, Patrickske is in slaap gevallen en 's avonds was het frikadellenkoek met krieken, een recept van de bomma, lekker, amai.” Ik weet nooit hoe ik daarop moet reageren. 'Proficiat' lijkt misplaatst. Vragen stellen brengt een nieuwe spraakwaterval op gang. Inmiddels heb ik gemerkt dat anderen zo'n verteller verjagen door eenzelfde lange zin over zichzelf te antwoorden. Daar word ik een beetje droevig van. Smalltalk is niet aan mij besteed. Enter de 'mediumtalk'. Volgens een nieuwssite dé nieuwe trend. Je kiest een onderwerp dat jou interesseert en geeft je klassieke smalltalk-vragen een originele twist, voor een boeiender antwoord. Zeg niet: “Heb jij ook een palletkachel?” Maar: “Wat zijn de warmste taferelen die zich al in jouw huiskamer hebben afgespeeld?” Al zullen er dan allicht nog zijn die over hun vloerverwarming beginnen.

Afwisselend geven Fleur van Groningen en Nico Dijkshoorn hun eigen kijk op de actualiteit. (Het Nieuwsblad,Wo. 16 Nov. 2016, Pagina 2)

vrijdag 28 oktober 2016

Goeroe Gooris

Sommigen vinden het het leukste tv-programma ter wereld. Anderen zeggen dat “we niet mogen vergeten dat het máár een quiz is”. Of beweren dat het om “seksistische propaganda verpakt als een quiz op een machozender” gaat. In mijn ogen evolueerde ‘De Slimste Mens ter Wereld’ maandag van hapklaar zetelentertainment naar regelrechte levensinspiratie. Dat kwam door zanger Sam Gooris.
Sam deed niet mee aan de populairste televisiequiz van Vlaanderen om zijn imago op te poetsen, beroemder te worden, te laten zien wat voor geile benen hij heeft, kiezers rond zijn vinger te winden of een comeback te forceren. Hij had geen verborgen agenda, verfoeide alle tactische flauwekul. Ook aan rivaliteit bezondigde hij zich niet. Sam kwam gewoon gezellig een ‘tv-spelleke’ spelen. Helemaal zichzelf én attent voor zijn omgeving. Wat een verademing.
Zo kan je dus niet alleen in een quiz zitten, maar ook in het leven staan. Niet proberen de slimste te zijn. De mooiste. De grappigste. De beste in bed. Diegene met de meest gevatte politieke argumenten. Of de meeste centjes. Je kunt ook gewoon ‘een Sammeke doen’. Niks bewijzen. Gewoon je leventje leven, jezelf zijn en anderen hetzelfde gunnen.
Misschien moeten we onszelf allemaal eens wat vaker de vraag stellen: “Wat zou Sam Gooris doen?” In banale situaties, maar ook op zeer moeilijke momenten, met veel tranen. Vlug, voor onze prestatiemaatschappij onherroepelijk over de kop gaat.
Misschien kunnen we elkaar zelfs een hart onder de riem steken met inspirerende citaten, gebaseerd op de songteksten van goeroe Gooris: “Ge kunt het levenspad ook bewandelen op basketsloefkes” en “Laat het los, laat het gras maar groeien”. Die zinnen doen het vast ook prima op de sociale media, met op de achtergrond een foto van een spirituele zonsondergang boven een rustgevend, mistig grasveld.

Afwisselend geven Fleur van Groningen en Nico Dijkshoorn hun eigen kijk op de actualiteit. 'Goeroe Goris verscheen op 28 okt. in Het Nieuwsblad.



zondag 23 oktober 2016

Hup, hup, hup

Langzaam fiets ik naar boven, de brug op. Beschaamd omdat het niet vlotter gaat. Een wielrenner steekt me voorbij. Hij draagt een strak, helrood pakje, met zilverkleurige tussenstukken en een bijbehorende grijze helm, die onverbiddelijk blinkt in het slaperige herfstlicht. De wielrenner gaat rechtop op zijn trappers staan en draait zijn hoofd naar me om. “Hup, hup, hup!”, roept hij luid. Ik staar hem aan en zie hoe zijn magere, in lycra gestoken achterwerk als een balletje in een flipperkast de verte in schiet. Zijn silhouet is het uitroepteken achter zijn woorden. Ja, de hele man lijkt wel een symbool. Voor dat leven van tegenwoordig. Alles moet sneller, flitsender, met een verbijsterend resultaat. Want we weten allemaal hoe kort de aandachtsspanne van onze ongeduldige medemens is geworden. Hup, hup, hup! Van de weeromstuit houd ik halt. Ik zet mijn linkervoet op de houten balken van de brug en kijk uit over het water. Naar het fletse zonnetje, de wolken, de spiegelende rivier waarin een heel klein eendje een grote, bibberende V trekt. Wat zie je nog als je door het leven zoeft?
Dit is het moment waarop ik aan mezelf toegeef: ik kan het even niet. Ik kan niet herstellen van de verbouwingen en de verhuizing, hard werken, grenzen verleggen, schoonmaken, boodschappen doen, de emotionele tegenslagen van de afgelopen weken verwerken, de boeken schrijven die ik in mijn hoofd heb, de schilderijen schilderen die in datzelfde hoofd wachten, glimlachend een druk sociaal leven onderhouden, piekeren over de dag dat ik op de koop toe voor een kind wil zorgen, mijn gezondheid terugverdienen én die rustmomenten inbouwen waarop mijn dokter zo gehamerd heeft. Niet allemaal tegelijk. En terwijl ik dat bedenk, slaakt mijn smartphone een futuristische kreet. Weer een bericht van iemand die ik nauwelijks ken, die mijn columns leest, zich in me herkent en graag samen koffie zou gaan drinken. Ik weet dat het een fantastisch compliment is. Maar ik kan het niet. Geen tijd. Geen plaats in mijn hoofd. Als schuldgevoel een wielrenner was dan riep die nu: “Ga je wéér iemand teleurstellen?” “Ik ben gewoon niet zo sociaal!”, antwoord ik zacht. Mijn woorden worden overstemd door de grommende motoren van de auto’s achter me.
Misschien is dat wel het opvallendste dat de aankoop van een eigen huis me heeft geschonken. Ik heb altijd geloofd dat er geen plaats was voor iemand zoals ik en dat ik mijn bestaan moest goedmaken. Ik voelde me te huur. Alsof men iets van me mocht verwachten en ik dat dan vroeg of laat moest inwilligen. Maar nu heb ik mezelf een plaats gegeven. Een plek waar ik mijn leven zelf mag inrichten. Bovendien woon ik daar met iemand die van me houdt. Niet enkel als ik grappig ben, een mooie jurk draag en veel te geven heb, maar ook als ik huil nadat ik weer ben flauwgevallen en in paniek raak over mijn lichaam. Zo’n liefde legt je zelfkritiek vaker het zwijgen op. En dus beslis ik, daar op die brug, om meer rekening met mezelf te gaan houden. Wie van me houdt, zal het wel begrijpen.
Terwijl ik op mijn eigen tempo verder fiets, kruis ik een oud dametje. Ze trapt zo traag dat ze bijna omvalt. Misschien leeft zij nog in een tijd waarin er minder moest. Ik knik haar vriendelijk toe. Haar gerimpelde gezicht plooit zich tot één stralende glimlach.
(‘Hup, hup, hup’ verscheen in Het Nieuwsblad Magazine op 23/10/2016)

vrijdag 14 oktober 2016

Gratis hoofdpijn

De muziek schreeuwt, de discolichten flitsen, de drank vloeit rijkelijk en iedereen is iemand of wil iemand zijn: beroemd, succesvol, mooi, getalenteerd. Toen je de invitatie voor dit feest kreeg, bezorgde dat jou even het gevoel dat je er dan toch een tikkeltje toedoet. Gewoon omdat je plots tot het selecte gezelschap blijkt te horen dat voor dit soort glamoureuze gelegenheden uitgenodigd wordt. Verder is er niets veranderd. Jij bent nog steeds jij. Je staat in je slobbertrui en oude trainingsbroek bij de brievenbus en houdt een goudkleurige enveloppe in je hand. Maar toch. Even laat je je ego strelen, héél even, omdat het zo lekker is. Het maakt de ochtend wat minder grijs.

De avond zelf. Overal om je heen: bekende koppen, flitsende camera’s, lachende en dansende mensen, mooie kleren, tafeltjes met lege glazen, gespannen obers met vrolijke strikjes. Je draagt een jurk die je thuis mooi vond maar waarover je nu je twijfels hebt. Je voelt je een verkleed boerinnetje in de grote stad. Bovendien begint je buik op te zwellen door dat rare hapje van daarstraks: geitenkaas en zeewier – zou het aan je tanden kleven? Ruikt je adem nu naar boerderij én oceaan?
Iemand drukt een glas gratis wijn in je hand. Je drinkt. Grote slokken. Je kunt de praatjes niet aan. Die kleine gesprekjes met mensen die je niet tot nauwelijks kent. Het is saai en je verveelt je stiekem. Of het is oppervlakkig en je snakt naar contact met een échte vriendin. Drank helpt dan. Op voorwaarde dat je er tijdig mee stopt. Dat doe je vanavond niet. Je giet het goedje naar binnen als ware het appelsap en al vlug doet de roes je mondhoeken dwaas omhoog krullen.

In de verte danst je lief met één van zijn exen – een gestroomlijnd exemplaar dat beweegt alsof ze een acrobate is in bed en met haar tong zowat elke broeksriem kan opentrekken. Hij heeft ook zo’n glas gratis wijn in zijn hand. Ach, dit is geen moment om jaloers te worden. Maar onzeker was je al.
Je kijkt de andere kant op. Pal in de ogen van een bekende regisseur. Voor je het weet vertel je hem over het paringsritueel van de walvis, en maak je de vergelijking met een man die je ooit hebt gekend. Omdat de regisseur geërgerd fronst, besef je dat stoppen met praten in een ongemakkelijke stilte zal resulteren en ga je maar door. Van de donkere bodem van de Stille Oceaan tot in het krakende bed van een luidruchtige onbekende. Iemand drukt weer een gratis glas in je hand en als je pauzeert om een slok te nemen, verdwijnt de regisseur gauw tussen de menigte. Rook je adem nog naar zeewier? Dat past wel bij het walvisverhaal, natuurlijk. O, je schaamte is maar van korte duur. Al gauw sta je weer tegen een ander het verkeerde uit te kramen.

De volgende ochtend heb je hoofdpijn - gratis hoofdpijn. De herinneringen aan het feest bonken door je hoofd. Iedereen was iemand, jij voelde je niemand. Vandaag blijft de schaamte duren.
Door het raam klinkt de roep van een jonge zwaan. Brak kruip je uit bed, loop je de trap af, de tuin in, naar de oever toe, met je bakje vol maïs. Het zwanenjong eet uit je hand. Je hoort hoe de druppels van zijn snavel in het water vallen. Plong, plong. Verder is het stil. Er hangt een nevelig herfstlicht boven de rivier. En dan weet je het opeens weer. Je was al iemand. Dat zijn we allemaal.

‘Gratis hoofdpijn’ verscheen in Het Nieuwsblad Magazine op 15/10/2016

Patiënt 139

Een Vlaamse dame van 90 heeft zich laten invriezen om later weer tot leven gewekt te worden. Voortaan heet ze Patiënt 139. Op 2 september stierf ze aan een ziekte. Nadien werd ze verpakt in droogijs en naar Michigan verstuurd. Naar het Cryonics Institute, waar je je lichaam voor 50.000 euro kan laten invriezen, in de overtuiging dat de wetenschap over 100 jaar zo geëvolueerd is dat die je weer tot leven kan wekken.
Ik zag het plots voor me. Hoe Patiënt 139 daar nu ligt. Als een onderkoeld Doornroosje in het donker. Met een blauwige glimlach en een grijze vlecht vol ijskristallen.
Ook dacht ik aan mijn grootmoeder. Zij is 88 en kan niet goed mee met de huidige wereld. Films en televisieprogramma’s flitsen te snel voorbij. Van de sociale media begrijpt ze geen snars. Google is voor haar een laptop die kan horen wat je zegt. Moderne muziek een marteling. Mannen hebben altijd gelijk en voorrang, en dat vrouwen werken en geld verdienen, ziet ze enkel door de vingers als ze kunnen koken. Ontwaken in 2116 moet zowat mijn grootmoeders grootste nachtmerrie zijn. Ik zie haar al oog in oog staan met een muntgroen ruimtewezen in een gestroomlijnd pak, dat vrouwelijk blijkt te zijn maar nooit taarten bakt.
Wellicht had Patient 139 meer voeling met het moderne leven. Anders neem je zo’n beslissing niet. Maar wat als het lukt? Wat als zij over 100 jaar met haar ontdooide wimpers knippert en alsnog haar ziekte moet overwinnen? Wat als ze een wereld ziet die ze verafschuwt? Overal oorlog en vervuiling? Een desolate planeet waarop slechts één ander levend wezen leeft: een wetenschapper die afstamt van Donald Trump en er dezelfde theorieën over vrouwen op nahoudt?
Of wat als iemand zegt: “Ha Patiënt 139, ’t is om te zeggen dat we u weer gaan invriezen want we kunnen u nu niet gebruiken, hebt ge nog wat centjes op uw rekening?”

Afwisselend geven Fleur van Groningen en Nico Dijkshoorn hun eigen kijk op de actualiteit. 'Patiënt 139', verscheen op 14 oktober in Het Nieuwsblad.

maandag 10 oktober 2016

Omgaan met hoogsensitiviteit


Leven zonder filter

Enkele jaren geleden schreef ik een column voor Het Nieuwsblad Magazine over hoogsensitiviteit. Daarin beschreef ik hoe iemand mij als prille twintiger ooit aanraadde om eens het boek Hoog Sensitieve Personen (HSP) van Elaine Aron te lezen. Ik kocht het maar ik las het niet. Ik had toen al een hekel aan hokjesdenken en het laatste wat ik mezelf - na jaren van gepest te worden- wilde aandoen, was een nieuw etiket. Wat me ook niet aansprak: het gevoel van superioriteit dat sommige mensen aan hun hooggevoeligheid menen te ontlenen. Of juist een perfect excuus voor de eeuwige slachtofferrol. Ikzelf voel me evenwaardig - en soms helaas minderwaardig- aan mijn medemens en geloof dat de slachtofferrol enkel kortstondig kan helpen bij een verwerkingsproces. Op de lange duur werkt die rol juist zeer beperkend omdat je je verantwoordelijkheid niet opneemt en jezelf alle macht over je leven ontzegt.
Hoe dan ook, op mijn zesentwintigste las ik het boek toch. En ik herkende er meteen zo veel van, dat het een openbaring was. Nadat een psychologe me ondervroeg, bleek dat ik extreem hoog scoorde op vlak van hoogsensitiviteit. Natuurlijk beschouw ik mezelf als meer dan alleen dat ene persoonlijkheidskenmerk. Maar ik geef nu aan mezelf toe dat ik -ook- een hsp'tje ben en daar rekening mee moet houden.
Sinds die ene column ontvang ik nog steeds regelmatig brieven van lezers die vermoeden of zeker weten dat zij hoogsensitief zijn. Ze vragen me hoe ik met mijn gevoeligheid omga. Ik kan en wil niet voor anderen spreken of beslissen, enkel voor mezelf. Maar omdat de vraag zo vaak komt, heb ik besloten om mijn voorlopige bevindingen in een blogpost te gieten.

Levensopdracht
Voor mij houdt hooggevoeligheid een levensopdracht in.
Je hebt niet de filter die veel mensen wel hebben en daarom komen zo veel meer prikkels – negatief én positief- heel hard bij je binnen. Dat zet je innerlijke alarmsysteem telkens in werking. Iets wat erg lastig kan zijn omdat je bijvoorbeeld sneller moe bent en vaker het gevoel hebt dat je mensen teleurstelt omdat je niet mee kunt op hun tempo.
Maar iets wat ook veel goede aspecten heeft: je hebt bijvoorbeeld een uitstekend oog voor detail, je bent erg empatisch, je ervaart veel en begrijpt daardoor meer, je voelt anderen goed aan, staat in contact met je intuïtie, enzovoort.
Toen ik mijn hooggevoeligheid (samen met andere eigenschappen van mezelf, zoals bijvoorbeeld mijn artistieke karakter en de bizarre behoefte aan een publiek) nog volledig veroordeelde, kampte ik met een depressie. Ik wilde ‘normaal’ zijn, haatte mezelf en wilde er uiteindelijk simpelweg niet meer zijn. Mijn levensopdracht hield echter het tegenovergestelde in: ik moest niet proberen te zijn zoals ‘de rest’ (alsof ‘de rest’ bestaat en het een groep mensen betreft die allemaal exact hetzelfde zijn, niet dus). Ik moest niet ophouden met te leven. Ik moest juist leren om een leven voor mezelf te ontwikkelen, een leven op maat met mezelf als vertrekpunt. Ontdekken wie ik was en daar de verantwoordelijkheid voor nemen. Voor mij betekent dat onder andere dat ik enkel kan blijven geven aan anderen, als ik ook aan mezelf geef. Met andere woorden: als ik rekening houd met mezelf.

Emmertjes
Dat lukt met vallen en opstaan, maar alsmaar beter. Wat weinig mensen tot nog toe van me wisten, is dat ik mijn leven opdeel in zogenaamde emmertjes.
Er is een emmertje voor sociale contacten.
Een emmertje voor luide geluiden.
Een emmertje voor andermans problemen/emoties.
Een emmertje voor mijn eigen problemen/emoties.
Een emmertje voor fysieke ongemakken/pijn.
Een emmertje voor zelfopoffering.
Een emmertje voor drukte.
Een emmertje voor stank.
Een emmertje voor stress/angst.
Een emmertje voor positieve indrukken.
Een emmertje voor verandering.
En dan vergeet ik er vast nog een paar. In elk geval moet ik ervoor zorgen dat die emmertjes niet vol geraken. Anders raak ik volkomen overprikkeld en dan ben ik voor zowel mezelf àls mijn omgeving niet te genieten: moe, huilerig, bang, met pijn in heel mijn lijf en niet in staat om te werken, laat staan met mensen om te gaan.
Om een voorbeeld te geven: ik ben er inmiddels achter dat  mijn emmertje voor sociale contacten slechts één afspraak per week toelaat. Voor mijn vertrouwenspersonen (vriend, moeder) gelden andere regels, die kan ik vaker zien. Maar voor al die andere mensen, geldt hetzelfde. Twee afspraken per week gaat nog net. Na drie afspraken op één week, stort ik onherroepelijk in. Ik vind dat zeer beschamend en vervelend. Maar er is niks aan te doen. Ik heb al zo vaak geprobeerd om deze eigenschap van mezelf te veranderen en het lukt nooit.

(Wat misschien mede aan de oorzaak ligt, is dat ik gewoon niet zo sociaal ben. Ik ben als kind meermaals verhuisd, heb nooit lang op dezelfde school gezeten, werd veel gepest… ik groeide op met het besef dat ik mogelijk gauw weer afscheid moest nemen. Dat wierp me op mezelf terug. Bovendien ben ik iemand die graag alleen zit te tekenen, te schrijven, te schilderen, te musiceren…  Ik houd van mensen maar bij mij kosten sociale contacten haast altijd energie. Misschien dat andere hoogsensitieve mensen met een socialere inborst, juist veel meer afspraken in hun emmertje krijgen, en daar zelfs energie uit putten.)

Gelukkig heb ik ook manieren gevonden om mijn volle emmertjes terug wat leger te krijgen.
In de natuur vertoeven helpt. Alsook mediteren. Slapen. Met dieren bezig zijn. Pianospelen (tenzij mijn emmertje geluid vol is). Schilderen (tenzij de overprikkeling zo erg is dat ik mijn inspiratie niet meer kan voelen). Een serie kijken met mijn verstand op nul. Een gesprek met een vertrouwenspersoon, over wat er nu echt in me omgaat. Humor, lachen, relativeren (zeker ook mezelf!). En de liefde in al zijn facetten – ook dat ene, heerlijke fysieke aspect- neemt bijzonder veel onrust weg.

Angst als grootste prikkel
Heb ik ook over mezelf geleerd: voor mij is angst de grootste prikkel. Als ik veel angsten heb, gaat mijn alarmsysteem voortdurend af en zitten alle andere emmertjes meteen ook propvol.
Daarom werk ik enerzijds aan mijn angsten  (als twintiger ben ik in therapie geweest, ik doe veel aan zelfonderzoek, volgde een cursus over psychologische patronen en een opleiding tot life coach).
Anderzijds besef ik dat ik mijn wereld ook niet te klein mag maken. Want hoe nauwer mijn cocon, hoe onbekender alles wordt, en hoe meer angst het onbekende oproept. Want ook dat is typisch voor veel hooggevoelige mensen: dat je moeite hebt met veranderingen. Zelfs al snak je er tegelijk naar, zoals ik.
Als columniste, cartooniste en journaliste heb ik een job met veel deadlines, wat toch vaak voor stress zorgt. Soms ben ik bang  om niet goed of op tijd te presteren, om zonder ideeën te vallen, om te veel over mezelf te leuteren ook al probeer ik  universele thema's aan te snijden, enzovoort. Maar ik merk dat de herhaling van de deadlines ervoor zorgt dat die angsten verminderen: ik heb in mijn carrière nog maar één keer niet op tijd een deadline gehaald en dat bleek niet eens een probleem. Ondertussen weet ik dat ik op mijn eigen creativiteit mag vertrouwen, dat er altijd wel 'iets' komt. En dat er niks mis is met een gezonde portie zelftwijfel zolang ik mezelf ook toesta om fouten te maken en daardoor te evolueren.
Ik leer hieruit dat stressgevende situaties voor mij minder stresserend worden, naarmate ze vertrouwder worden.

Ik zoek dus steeds opnieuw een balans tussen grenzen verleggen én rekening houden met mijn bestaande grenzen. Eigenlijk is dat niet zo moeilijk als ik vroeger dacht: het is niet anders dan telkens opnieuw bij jezelf aftoetsen, je intuïtie volgen. Dus niet beslissen: zo ben ik en dat patroon rationeel op jezelf en je verdere leven toepassen. Maar telkens opnieuw voelen, contact maken met je innerlijke stem / je buikgevoel/ hoe je het wil noemen. Ikzelf noem het resoneren: als ik voel dat er iets in mij resoneert met een stelling of situatie, dan klopt het voor mij.
Soms kan je die dag  veel aan, soms juist weinig. Om dat te voelen moet je jezelf wel de ruimte gunnen om te mogen voelen. Om stil te staan bij je eigen noden. Dat is iets wat ik nog regelmatig moeilijk vind: dan vergeet ik om mezelf te vragen wat ik wil, wat ik vind, wat ik voel, wat ik nodig heb. Die vier zinnen zou ik beter op een post-it schrijven en boven mijn bureau hangen. Het was ook een opdracht die ik als lifecoach aan mijn cliënten gaf: houd een week lang een dagboek bij waarin je bij elke situatie die jou uit balans brengt, antwoord geeft op de volgende vragen:
Wat wil jij?
Wat vind jij?
Wat voel jij?
Wat heb jij nodig?

De reacties waren steeds overweldigend. Vooral in het begin wisten mijn cliënten vaak niet wat ze wilden, vonden, voelden, nodig hadden. Maar gaandeweg kwam het antwoord. En dat bracht hen dichter bij zichzelf, en dichter bij hun dierbaren. Vaak bleven ze dat dagboek daarom langer dan een week bijhouden.

Ik herinner me nog een gesprek met een man die zich ergerde aan dit soort zaken, hij noemde dat puur narcisme, mensen die alleen maar bezig zijn met hun eigen noden. Maar dat is niet hetgeen waarop ik doel. Het gaat net om wat ik eerder al formuleerde: aan jezelf geven zodat je aan een ander kunt blijven geven. En ook: hoe beter je jezelf kent, hoe beter je werkelijk contact kunt maken met een ander. En ten slotte: zelfkennis en de verantwoordelijkheid nemen voor je noden en persoonlijkheid, is een vorm van psychische hygiëne. Want wat je aan jezelf kunt geven, vraag je niet aan een ander - al dan niet onbewust. Denk maar aan mensen met een laag zelfbeeld die voortdurend hengelen naar complimentjes. Of mensen met een gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel, die verwachten dat anderen hun problemen oplossen. Wie zichzelf beter kent, kan beter voor zichzelf zorgen.

Zelfontkennende gedachte
Iets wat ik als een belangrijke stap zie in het proces van zelfkennis, is je bewust worden van je zelfontkennende gedachte. Dat is een gedachte waarbij je jezelf naar beneden haalt, jezelf beperkt. Bijvoorbeeld: ik mag er niet zijn, ik ben het niet waard, ik ben schuldig, er is geen plaats voor mij, ik doe het niet goed, enzovoort.
Het is menselijk om die gedachte onbewust op situaties en anderen te projecteren, maar het leven wordt een stuk gezelliger als je je van die gedachte bewust wordt en hem (zonder oordeel) aanpakt.
Mijn psychologe heeft me ooit geleerd dat een gebeurtenis pas traumatisch wordt, als je er onbewust of bewust een zelfontkennende gedachte aan koppelt. Ik heb in mijn kindertijd akelige ervaringen meegemaakt die ik toen onbewust interpreteerde als een teken dat ik er niet mocht zijn of iets niet goed genoeg deed. En om terug te komen op mijn hooggevoeligheid: daar koppelde ik ook lang de gedachte “ik mag er niet zijn” of “ik doe het niet goed” aan. Dat maakte me ongelukkig.
Nog steeds heb ik die neiging maar omdat ik me nu bewust ben van dit patroon, kan ik ingrijpen. Ik dien mijn zelfkritiek dan van repliek: “Ik heb wel bestaansrecht want ik ben er nu eenmaal en als ik rekening houd met mijn eigen gebruiksaanwijzing, kan ik het wél goed doen.” Zoiets. Ja, ik weet dat het best pathetisch klinkt. Maar wellicht is het voor sommigen zo herkenbaar, dat het toch waardevol is om toe te geven!

Meer over mijn persoonlijke zoektocht lees je in mijn boek 'Dat Kleine Geluk'. 





Heel erg intelligent

Wat ik gênant vind: geeuwen in gezelschap. Dan lijkt het alsof de ander jou verveelt, ook al ben je gewoon moe. Ik ben vaak moe. En ik verveel me makkelijk. Bovendien heb ik een grote mond, die tijdens het geeuwen opvallend lang blijft openstaan. Dan zie ik er niet alleen uit alsof ik mijn hoofd als een paar pasgewassen sokken binnenstebuiten probeer te draaien. Nee, het lijkt ook alsof er een zwart gat in het etablissement ontstaat, dat alle vaasjes en tafelkleden van de tafeltjes dreigt op te slorpen. Soms zie je mannen bang naar hun toupet grijpen, zodra ik mijn gaapgrimas inzet. Daarom heb ik in de loop der tijd een arsenaal verstop-je-geeuw-technieken ontwikkeld. Om niemand nog te kwetsen of te beangstigen.
Een lang, verhullend kapsel helpt. Alsook een trui met een hoge kraag, waarin je kunt wegduiken wegens zogenaamde acute kinonderkoeling. De beste truc is echter je handtas rechts van je zetten en er wat in rommelen, op zoek naar een zakdoek. Eerst kan je ongemerkt gapen tegen je rechter oksel, vervolgens nog een keer achter de zakdoek. En als iemand tranen in je ooghoeken bespeurt, zeg je dat je ontroerd bent. Dat vinden mensen fijn, als hun woorden jou raken. Dan praten ze enthousiast voort en merken ze niet eens dat je achter het plastic boeket nog een keertje geeuwt.
Goed. Ik dacht dus dat ik het hele gaapgegeven onder de knie had. Blijkt nu dat geeuwen een statussymbool is. Recent onderzoek toont aan dat primaten langer gapen dan kamelen en walrussen, en mensen langer dan gorilla’s. Ergo: hoe langer je geeuw duurt, hoe groter en complexer je brein is. Oftewel, voor de meelezende gorilla’s: hoe slimmer je bent. Ik had dus al die tijd breeduit kunnen geeuwen en daarna rustig kunnen zeggen: “Sorry, ik ben gewoon heel erg intelligent.” Om vervolgens nonchalant iemands haarstukje uit te spuwen.
Afwisselend geven Fleur van Groningen en Nico Dijkshoorn hun eigen kijk op de actualiteit. 'Heel erg intelligent', verscheen op 10-10-2016 in Het Nieuwsblad.

zaterdag 8 oktober 2016

Hoop

Ik ontwaak van het geknars van de brievenbus. De postbode laat er iets invallen. Meteen ben ik klaarwakker. Precies een maand geleden heb ik mijn biologische vader een brief geschreven. Om op de juiste manier afscheid te nemen - nadat we al acht jaar geen contact hebben en heel wat zaken nooit werden uitgesproken. Onwillekeurig koesterde ik de hoop dat het ooit goed kon komen. Zolang niets definitief werd afgesloten, bleef die kleine mogelijkheid bestaan.
Ik geloof dat ik alle mogelijke scenario’s heb bedacht. Dat hij niet terugschrijft. Dat hij wel terugschrijft. Wat er in die brief kan staan.
Toch klopt mijn hart in mijn keel.
Ik sta op, was me, kleed me aan, open de voordeur en loop blootsvoets door de ochtendkoude naar de brievenbus. Kleine steentjes prikken in mijn voetzolen. Mijn adem vormt een voorzichtig wolkje. Eerst steek ik het sleuteltje verkeerd in het slot. Als het deurtje dan toch opengaat, ligt er één witte enveloppe in. Ik herken zijn kalligrafisch handschrift onmiddellijk. Hij heeft mijn naam zonder hoofdletters geschreven. Zou het hem storen of opluchten dat ik zijn achternaam niet draag?

Drie weken eerder was ik te gast op een feest in een afgehuurde schoolkantine. Ik zat aan een tafeltje met twee al wat oudere zussen. Eén van hen had een oude liefde uitgenodigd en vroeg zich hardop af of hij nog zou komen. Ik keek naar de klok aan de muur, het was twintig voor elf. Haar zus sprak haar streng toe: natuurlijk kwam hij niet, dat had hij toch nooit gedaan, hoe kon ze blijven geloven dat hij veranderen zou? Waren ze daar niet te oud voor geworden? Hadden ze niet te veel meegemaakt?
Ik staarde naar het grasgroene, papieren tafelkleed. Trok er met een vork een scheurtje in. Toen ik weer opkeek, ontmoetten mijn ogen die van de vrouw die op haar liefde wachtte. Er lag een kinderlijke onschuld in haar blik. “Ik wil blijven geloven dat mensen kunnen veranderen”, zei ze tegen me. Ik knikte snel, waarmee ik haar wilde duidelijk maken dat ze zichzelf niet aan mij hoefde te verklaren. “Als ik die hoop opgeef”, ging ze verder, “Wat houd ik dan nog over?”
Niemand zei wat. Haar zus niet, ik niet. De tl-buis boven ons knipperde. In die korte stilte proefde ik het verlies van de hoop. Ik rilde. Dacht aan de openhartige brief die ik naar mijn vader had verstuurd. “Misschien komt hij pas om elf uur”, zei de vrouw.

Zijn brief ligt op mijn keukentafel. Ik loop naar de waterkoker om thee te zetten. Schil wat fruit voor mijn ontbijt. Bij elke beweging lijkt zijn handschrift me aan te kijken. Ik wil me niet haasten. Als ik de enveloppe dan toch openscheur, vind ik een onhandig opgevouwen stuk tekenpapier. Daarop staat in krullerige letters het enige scenario dat ik niet had bedacht.
Eerst breek ik van binnen. Dan bal ik mijn vuisten uit onmacht. Dan worden mijn ogen warm van woede. Pas dan komt er één langgerekte snik. Ik dacht dat er in hem een voorzichtige liefde voor mij woonde, die amper plaats kreeg en zeer zeker niet van de vaderlijke soort was, maar die desalniettemin naar een voedingsbodem zocht. Dat blijkt niet zo te zijn. Deze man geeft niet om mij.
In de stilte van de kamer grijpt het verlies van de hoop me bij de keel.
Het zal nog enkele dagen duren alvorens ik ontdek wat ik daarna overhoud. Geen leegte maar ruimte. Ruimte voor datgene wat waarachtig is.

(de column ‘Hoop’ verscheen op 08/10/2016 in Het Nieuwsblad Magazine)