woensdag 12 juli 2017

GEORGANISEERDE PASSIE

“Seks in de natuur, een aanrader of niet?” was de afgelopen dagen een populair artikel op nieuwsblad.be en scoorde heel wat reacties op Facebook. Ook van ene Vica, een gepensioneerde dame uit West-Vlaanderen. Zij noemde seks in de natuur “gewoon zielig en ordinair nog erger dan hoeren en daar geven ze hun mening over sorry ik begrijp dit wereldje niet hoor en heeft niets te maken met preuts zijn maar met zelfrespect”. Persoonlijk vind ik interpunctie een teken van zelfrespect. Ach, smaken verschillen.
Hoe dan ook: in het artikel raadt Ilse Nackaerts, ­auteur van het boek ‘Spannende Seks’, de lezers aan om rond valavond te werk te gaan. Voor de vrouwen tipt zij een wijde rok en een hemdje dat vooraan open kan. Je neemt ook het best een dekentje en muggenspray mee, klinkt het. Persoonlijk vind ik dat weinig spontaan overkomen. Alsof je je vrijpartij enkele dagen op voorhand moet inplannen: “Schat, hebt gij donderdagavond een gaatje in uw agenda, dan pak ik het dekentje en de muggenspray alvast in en ga ik woensdag een hemdje shoppen. Kijkt gij al eens op Google Maps voor een tof bos. Niet te ver hé, want om 20.30 uur begint er een film op Vijf.”
Bij seks in de natuur denk ik juist aan een ongeorganiseerde opstoot van passie. Aan krakende takken onder vlezige billen. Mierenbeten die niets meer uitmaken. Aan bijten in bloot vel, en zweet en zand proeven. En ook wel aan een onverwacht voorbijvarende boot met joelende matrozen, waardoor je vrijpartij plots een match met supporters lijkt - maar dat kan met eigen ervaringen te maken hebben. Sorry, Vica.
Afijn, misschien vinden heel wat mensen zo’n geplande boswip juist erg spannend. Gisteren, bij valavond, zag ik alvast twee vijftigers een natuurgebied insluipen: zij droeg een zwierige rok en een hemdje met knopen, hij hield een opgerold dekentje en een spuitbus vast. Ze keken verwachtingsvol. En ik moest me inhouden om niet te roepen: “Ook op de site van Het Nieuwsblad gekeken?”

(Deze column verscheen op 12/07/2017 in Het Nieuwsblad / De Gentenaar)

donderdag 29 juni 2017

HET IS GEBEURD...

Het is gebeurd.
Gisteren heb ik het manuscript van Leven zonder filter voltooid. Het voelt nog een beetje onwennig omdat de inhoud zo lang dagelijks in mijn gedachten is geweest.
En omdat ik me nog nooit zo bloot heb gegeven als in dit boek. Maar iets zegt me dat het dat allemaal meer dan waard is.

In september komt 'Leven zonder filter' uit. Het gaat over mijn persoonlijke ervaringen met hoogsensitiviteit. Over omgaan met prikkels, depressie, burn-out, hoogbegaafdheid en onzekerheid. Over hoogsensitief zijn in de liefde, op het werk en in vriendschappen. Over hoe je gevoeligheid ook je kracht kan worden.
Ik hoop dat je er veel aan zal hebben.

Rest mij je nog een fijne zomer te wensen en... tot in september!

Warme groet,
Fleur

zaterdag 17 juni 2017

DICHTER

“Je bent terug!”, zei  hij. Zijn ogen fonkelden. Het was een zwoele avond en we zaten in de tuin. Ik was opgewekt, droeg een flessengroene zomerjurk en had uitgebreid gekookt in de hoop hem wat huiselijke gezelligheid te bieden na zijn lange, zware werkdag op een drukke filmset. Hij genoot zichtbaar van de Marokkaanse maaltijd en dat stemde me blij. “Terug?”, vroeg ik. “Je was een tijdje verdwenen”, verduidelijkte hij. Dat ik niet mezelf was, geen gekke opmerkingen meer maakte, niet langer lachte. Maar vanavond hadden we lol zoals vanouds en ontwaarde hij weer leven in mijn blik.

Ik zag de taferelen van de voorbije maanden voorbij komen. Ik, die ’s morgens huilend wakker werd en mijn tranen in het kussen probeerde te verbergen. Ik, die zonder make-up, met ongekamde haren, in een oude training rondliep. Ik, die ’s avonds opbiechtte dat het weer een moeilijke dag was geweest. En hij, die zich geen moment ergerde, die me telkens weer omhelsde en begrip opbracht. Toegegeven,  hij en ik hebben een pact: in goede en in kwade dagen. En natuurlijk zou ik voor hem hetzelfde doen. Maar dat neemt niet weg dat ik zijn medeleven niet als vanzelfsprekend beschouw en hem een zo fijn mogelijk bestaan toewens. “Ik heb niet te klagen, hoor”,  zei hij. “Jij hebt op korte tijd veel verliezen geleden en toch bleef je attent voor mij en hield je je kranig. Ik ben daar juist trots op.” Dankbaar maakte ik een gekke opmerking - iets waarvan ik wist dat hij erom zou lachen.
De volgende morgen ontwaakte ik echter in een slechte dag. Mijn lijf voelde als een pijnlijke zak waarin ik mijn draai niet vond. Ik wilde niet meer verdrietig zijn. Maar over een rouwproces heb je geen controle. Toen mijn vriend ’s avonds laat thuiskwam, trof hij me somber aan. “Sorry, het gaat weer niet…”, prevelde ik. Al wilde ik zo graag ‘terug zijn’ voor hem. Hij antwoordde dat hevig verdriet in weeën komt, die elkaar in het begin snel opvolgen en gaandeweg grotere tussenpozen kennen. Het was een troostend vooruitzicht.

Vanavond treffen we elkaar in de stad. Ik ben naar een voorstelling geweest en hij heeft laat gewerkt. Het is heerlijk weer, de stad bruist en we hebben op een terrasje afgesproken. We kletsen, we eten, we lachen – hij draagt het gestreepte T-shirt dat ik zo leuk vind en ik vreet hem op met mijn ogen. Het zou onze eerste afspraak kunnen zijn, toen ik naar zijn borsthaar gluurde en me afvroeg hoe hij er onder zijn kleren uitzag. Nu ken ik zijn lijf van buiten, toch raakt het verlangen niet gedoofd. Als hij me naar mijn auto brengt, zoenen we. Even zijn we slechts man en vrouw – zonder verleden, pijn of verdriet. Ik duw mijn heupen tegen de zijne. En dan, als ik hem naar zijn eigen wagen zie slenteren, wetende dat we elkaar dadelijk weerzien in ons huis, besef ik dat ik nooit meer ‘terug’ zal zijn. De verliezen hebben me voorgoed veranderd. Ik heb nieuwe emoties ervaren die me zachter maken; ik ben mezelf tegengekomen en sterker geworden. De pijn heeft me gestript. Die pelde lagen van me af en liet me naakter doch zuiverder achter. Mijn relatie heeft zich andermaal verdiept. Hij en ik weten nu nog beter wat we aan elkaar hebben. Het is gek hoe je telkens weer gelooft dat je onmogelijk nog dichter bij mekaar kunt komen. En het vervolgens  toch doet.

(Mijn column in Het Nieuwsblad Magazine op 17/06/2017. Het Nieuwsblad Magazine gaat er voor de zomer tussenuit en verschijnt terug in september. Mijn wekelijkse column over mijn leven houdt dus ook een zomerstop.)


dinsdag 6 juni 2017

VAN BOOM TOT BOOM

Terwijl u geniet van het heerlijke weer, speurt de politie van het Zuid-Hollandse dorpje Barendrecht naar een man die bomen swaffelt. Voor wie niet weet wat swaffelen is: dat is - naast Het Woord van Het Jaar 2008 - uw mannelijk geslachtsorgaan zachtjes doch ritmisch ergens tegenaan slaan. “Links, rechts, flap, flap, pets”, zo zou Paul Van Ostaijen de kunst van het swaffelen ongetwijfeld poëtisch omschrijven. “Boem, paukenslag” voor de extreme gevallen.
Hoe dan ook, in Nederland regende het klachten over een man die tijdens zijn boswandeling enkel een ­T-shirt droeg en meerdere bomen te lijf ging. Dat is natuurlijk niet zo prettig. Dan ga je een frisse neus halen. De geur van bladeren, wilde kamperfoelie en mos inhaleren. Onthaasten te midden van het ontluikende lenteloof. En dan loopt daar plots een vent maar wat raak te kwispelen. Ik snap dat men verontwaardigd reageert. Dat mensen de politie bellen: “Meneer de agent, die berk heeft daar niet om gevraagd!” Maar deze feiten stemmen mij ook enigszins nieuwsgierig. Hoe beland je op een punt in je leven dat je bomen swaffelt?
Groeide deze kerel als jongetje misschien op in een spirituele commune waar men elke zondag bomen knuffelde dat het een lieve lust was? Is hij de weduwnaar van een matrone die verdacht veel weg had van een knoestige knotwilg met een kevernest in één van haar boomholtes? Of was deze man tijdens zijn wandeling gewoon op een mierennest gaan zitten, had hij zijn broek gillend van pijn uitgetrokken en weggeworpen, recht op een wespennest - zoals u weet komt er een gigantische plaag aan - waarop al die wespen agressief achter hem aan vlogen en hij al rennend van boom tot boom de mieren van zijn kruis probeerde te kloppen? En dan die perverse wandelaars, met hun felroze anoraks (want Nederlandse koppels dragen tijdens het wandelen altijd dezelfde kleren) maar meteen concluderen dat hij aan het swaffelen was. Tss.

(Mijn column, op 26 mei in Het Nieuwsblad/De Gentenaar)

zaterdag 3 juni 2017

FOETUS

Mijn vriend ligt in bad en kijkt toe terwijl ik op het staafje plas. Ik ben een week over tijd. En ja hoor: het is een blauwe plus. Uit verbazing laat ik de stop van de test in de wc-pot vallen. Ik was bang dat mijn lijf het niet kon, al wilde ik het zo graag. “We… we zijn zwanger!”, stamel ik stralend. “Laat zien!”, grinnikt mijn vriend en nieuwsgierig steekt hij zijn hand uit. Als een pinguïn schuifel ik naar hem toe en reik hem de zwangerschapstest aan. “Proficiat!”, lacht hij en ik kus zijn natte gezicht en feliciteer hem, hevig ontroerd met mijn broek op mijn knieën.

In de weken die volgen openbaart het leven als zwangere vrouw zich aan me. Ik krijg borsten met blinklichtjes, ben kotsmisselijk, hondsmoe. Naar de supermarkt gaan is een opgave, zowat elk luchtje doet me kokhalzen. Maar het kan me niet schelen, het dient een magisch doel. Voortaan ben ik met twee. Ik leg een dagboekje aan over mijn zwangerschap , waarin ik mijn ervaringen neerschrijf en de gedroogde veldbloemen kleef die ik tijdens mijn verplichte dagelijkse wandelingen pluk. De eerste echo hang ik op de ijskast en ’s nachts, als ik niet kan slapen van blijdschap, bekijk ik op mijn smartphone opnieuw het filmpje waarin je het hartje mysterieus ziet flikkeren in de donkerte van mijn baarmoeder - als een verre ster in de nacht. Mijn prille zwangerschap heeft de wereld veranderd. Ik kijk naar alles in functie van mijn kind. Ik ben een doorgeefluik, en alle andere mensen iemands kind.

Nota bene begint de berekening van de negen maanden exact op de dag waarop mijn vader stierf en ik hem moederlijk bijstond. De cirkel van het leven. Eind dit jaar sta ik aan diezelfde poort maar begeleid ik een nieuwe ziel naar het aardse bestaan. Ik zal het zo goed mogelijk doen. Heel bewust, met alle liefde en moed die ik in me heb. Mijn vriend praat al tegen mijn buik, lacht om de eerste veranderingen die mijn lichaam doormaakt. Ik ben nergens meer bang voor, niet voor striemen, scheuren en pijn, niet voor grote veranderingen en oververmoeidheid. Ik ben enkel bezorgd om het welzijn van ons kind. Nu al is het moederschap een les in overgave.

En dan, uit het niets… de bloedvlek. Klein doch onmiskenbaar. De gynaecoloog geeft me diezelfde avond een afspraak. Mijn vriend is aan het werk op een filmset en kan daar nog niet weg. Een dierbare vriendin, die zelf vier miskramen op één jaar tijd kreeg, springt onmiddellijk in haar wagen. Ik tref haar in de wachtkamer tussen drie gelukzalige, zwangere koppels. “Zeg, dan ga je me straks in mijn blootje zien”, prevel ik gespannen. Ze zegt dat het haar niet uitmaakt. Dat ze een kind heeft gebaard en nergens raar van opkijkt. Dat ik nu niet alleen moet zijn. Tijdens het onderzoek houdt ze mijn hand vast, streelt ze mijn haar. De gynaecologe roert met het apparaat in mijn schoot en bevestigt: het hartje klopt niet meer. De ster is uitgedoofd. Nu moet mijn lichaam ze alleen nog loslaten.

Thuis wacht mijn vriendin bij me tot mijn vriend er is. Hij rijdt de oprit op, stormt zijn auto uit en grijpt me vast. Geluidloos huilen we tegen elkaars hals. “Het is zoals het is”, fluister ik. “De natuur had vast een goede reden.” Hij gelooft het ook maar dat neemt de pijn niet weg. Die nacht rol ik me naast hem op als een foetus. Mijn gezwollen borsten en aanhoudende misselijkheid zijn een misplaatste grap - slapen kan ik niet.

(Mijn column, dit weekend in Het Nieuwsblad Magazine)

woensdag 10 mei 2017

Te vroeg (column)

Het is druk op de parking van de supermarkt. Ik heb een eerste rondje gereden, als ik een auto zie vertrekken. Terwijl ik wacht en pink, komt er een andere wagen aan. De chauffeur ziet me maar pikt vlug de parkeerplaats in. Verbaasd kijk ik hem na terwijl hij naar het hok met de winkelkarretjes loopt. Hij heeft geen kin en een wijkend voorhoofd, zijn hele gezicht hangt op aan een grote, puntige neus. Alsof zijn reukorgaan hem door het leven trekt. Plots word ik overvallen door een buitenproportionele woede. Ik rijd naar hem toe, parkeer mijn auto zo dat hij het hok niet uitkan en open mijn raampje. “Meneer!”, zeg ik, terwijl ik normaal zelden boos word en nauwelijks voor mezelf kan opkomen. “U heeft mij daarnet gezien en toch hebt u mijn parkeerplaats gepikt!” Hij kijkt me betrapt aan, rolt vervolgens met zijn ogen en slaakt een ongeïnteresseerde zucht. “Ik vind dat onbeleefd”, voeg ik eraan toe en besef hoe machteloos ik sta. Wat kan ik doen? Die vent in het karretjeshok gijzelen? Dus rijd ik verder, op zoek naar een nieuw plaatsje.
In de supermarkt werpt zijn neus een schaduw over de pakken toiletpapier. Ik krijg zin om de man een loer te draaien. Om in de afdeling toiletartikelen tubes glijmiddel en pakjes vrouwenpanty’s mee te grissen en die in zijn kar te leggen. Om de boodschappen die hij kiest, stiekem weer in de rekken te zetten. Even fantaseer ik over hem klemrijden in de koelcel, waar het moeilijk aanschuiven is bij de sinaasappels en asperges. Maar dan stel ik mezelf de vraag: “Wil je in deze energie van woede en rancune blijven hangen? Gaat dat de pijn over de dood van je vader en je grootmoeder wegnemen?” De man kijkt op, ziet me en vlucht met datzelfde betrapte gezicht de rayon met babyspullen in. “Pampers!”, denk ik nog, “Die kan ik ook in zijn kar leggen.”
 In plaats daarvan doe ik braaf mijn boodschappen. Als ik bij het wegrijden moet remmen omdat hij naar zijn wagen oversteekt, weersta ik de kinderachtige reflex te ontkoppelen en het gaspedaal dreigend diep in de drukken. Thuis merkt mijn vriend droogjes op: “Je had ook een appel in zijn uitlaat kunnen proppen.”
’s Avonds gaan mijn vriend en ik naar een verjaardagsfeest van vrienden. Er hangen glinsterende slierten boven de dansvloer. Ik heb een glitterjurk met een diep decolleté aan, ben vastbesloten me te amuseren en de andere genodigden ervan te overtuigen dat ik heus niet eng ben omdat ik verdriet heb. In plaats daarvan beland ik al vlug op een barkruk en staar voor me uit. Ik merk dat veel feestgangers op jacht zijn naar liefde of lust, en op die golflengte kan ik me niet aansluiten. Dat ik geen alcohol meer mag sinds er een bepaald syndroom bij me is vastgesteld, helpt ook niet. Het contrast tussen mijn murwe hart en de vrolijke feestvierders is groot. Een kennis condoleert me met mijn vader en mijn ogen schieten vol. Een vrouw zegt dat het goed gaat en vraagt hoe het met mij is, ik antwoord “ça va” maar weet niet welke koetjes en kalfjes eraan kunnen geloven. Ze vlucht voor mijn stilzwijgen terwijl de dj een oosterse dansplaat oplegt. Mijn vriend ziet hoe ongemakkelijk ik me voel en biedt aan naar huis te gaan. Onderweg naar de auto slaat hij zijn arm om mijn middel en zegt: “Ach, het is gewoon nog te vroeg.”

('Te vroeg' verscheen in Het Nieuwsblad Magazine op 06/05/2017)

maandag 10 april 2017

Papiertje

Als een aangespoelde drenkeling slaapt mijn grootmoeder in het ziekenhuisbed. Op een spierwit strand met golven van katoen, de handen rond een onzichtbaar stuk wrakhout geklemd. Haar grijze haren waaieren los over het kussen, haar mond is een zwart gat. Niet de zon maar een tl-buis beschijnt haar perkamenten huid. En het zijn geen torenhoge meeuwen die in de verte krijten, het is haar adem die zo piept.

Mijn moeder zet wat eten in de ijskast, ik de bloemen in het water. We nemen plaats achter het nachtkastje vol boeketten en praten zacht, tot een magere arm achter de gele tulpen verrijst, tastend naar het driehoekige handvat boven het bed. "Ze is wakker!", zeg ik en tegelijk staan we op zodat mijn grootmoeder ons kan zien. Moeizaam plooien haar lippen zich tot een glimlach. Praten lukt nauwelijks. Ze heeft pijn, ze is buiten adem. Toch sloft ze voorzichtig aan de arm van mijn moeder naar een neplederen fauteuil opdat haar haren daar opgestoken kunnen worden. Geroutineerd begint mijn moeder te kammen en te touperen. Het is een ritueel dat zich de afgelopen zes jaar iedere morgen voltrok. Toen kon ik nog lachen om het tussenstadium, waarbij de getoupeerde strengen drie windrichtingen aanwezen en mijn grootmoeder ernstig voor zich uitkeek, als een Yorkshire Terrier die geduldig op zijn roze strikje wacht. Nu sla ik hen geconcentreerd gade - als betreft het een plechtigheid die ik me nog lang wil herinneren.

Zodra de chignon is goedgekeurd, begint mijn moeder verse sinaasappelsap te persen. Ze reikt mijn grootmoeder een glas aan en biedt haar kamergenote er ook een aan. Ondanks haar uitputting kijkt mijn grootmoeder tevreden toe hoe de andere vrouw genietend drinkt. Die generositeit ontroert me. Dit is wat er in deze steriele kamer nog van het leven overblijft: liefde en zoet sap. Zacht streel ik haar hand en ik bestudeer de keurig geveilde nagels. Die zagen er al zo uit toen ik nog een klein kind was.

We proberen wel te praten maar ze vindt haar woorden nauwelijks, valt in herhaling en begrijpt niet wat ik zeg. Ze wil weer naar bed. Ik buig mijn lange lichaam over haar broze lijfje en kus haar wangen. “Klein schatje”, brengt ze moeizaam uit. En om mijn emoties te verbergen lach ik: “Wie is er hier het kleine schatje?” Ze glimlacht weer, als een kind ditmaal. Haar vingers fladderen door de lucht, waar ze onzichtbare toetsen beroeren. “Speel je nog…”, vraagt ze. “Piano?”, maak ik haar zin af en ik antwoord bevestigend. Dan wuift mijn grootmoeder verstrooid en valt ze in slaap.

In mijn auto zet ik de radio luid maar de dancebeats kunnen mijn jammerkreet niet overstemmen. Het verdriet zit in me en het moet eruit, prent ik mezelf praktisch in. Dus huil ik me hevige halen op de verlaten parking van het ziekenhuis terwijl om me heen de avond valt. Daarna hebben mijn moeder en ik in een brasserie afgesproken. We benoemen wat we allebei denken: dat mijn grootmoeder wellicht stervende is. Op tafel ligt de papieren verpakking van een chocolaatje. "Dank u" staat erop, in zeven verschillende talen. Het is alsof de letters oplichten. Alsof de ziel van mijn grootmoeder alsnog verwoordt wat ze in het ziekenhuis niet uitgesproken kreeg. "Dankjewel, voor de liefde, voor het leven, voor de lessen die het me gebracht heeft." Ik vouw het papiertje op en steek het in mijn zak.

('Papiertje' verscheen in Het Nieuwsblad Magazine op 8 april 2017)

Interview met Pieter Aspe

“Onze liefde, dat was échte romantiek”

Hun liefdesverhaal leest als een sprookje maar eindigt als een nachtmerrie. Toen zijn vrouw de strijd met longkanker verloor, stopte Vlaanderens succesvolste misdaadauteur onmiddellijk met schrijven. Toch heeft Pieter Aspe de pen weer opgenomen. Zijn nieuwste worp ligt nu in de boekhandel. En om de pijn te verzachten werkt hij al aan zijn volgende krimi. “Je kunt de rouwende weduwnaar niet blíjven uithangen.”

Tekst: Fleur van Groningen, eerder verschenen in De Morgen Magazine


In 1995 schonk Pieter Aspe (64), Vlaanderens meest gelezen en geprezen misdaadauteur, het leven aan hoofdinspecteur Pieter Van In en substituut Hannelore Martens. Sindsdien beleefden deze personages velerlei avonturen in zijn geboortestad Brugge, alsook in Antwerpen en zijn huidige woonplaats Blankenberge. De razend populaire misdaadreeks  telt ondertussen maar liefst negenendertig delen en inspireerde VTM tot een televisiereeks. Aspe won de ene prijs na de andere. Er leek geen einde aan zijn succes te komen, tot vorig jaar bekend raakte dat hij de pen had neergelegd. Na de plotse dood van zijn echtgenote Bernadette, ging het gerucht dat hij nooit meer wilde schrijven. En na een ietwat suïcidaal bericht op Facebook, geloofde men zelfs dat het met hem helemaal de verkeerde kant opging. Niets blijkt nu minder waar. Aspe is door een diep dal gegaan maar krabbelt langzaam weer recht. Recent verscheen een nieuwe pennenvrucht, getiteld Blankenberge Blues. Ondertussen werkt hij aan zijn volgende misdaadroman, het mogelijk laatste deel in de Van In-reeks. Aspe’s leven is ingrijpend veranderd maar zeker niet voorbij. Al is het nog zoeken naar een nieuwe balans, naar zingeving, naar troost. En moet de tijd haar werk doen.

Twaalf stielen, dertien ongelukken
Dat hij als kind niet wist dat hij later schrijver zou worden, verklapt Aspe, en hij steekt een sigaret op en nipt van zijn favoriete blonde bier Omer. Op school vond hij dat maar niks: opstellen en verhandelingen maken. Er stroomde ook geen schrijversbloed in de familie. Zijn vader, een arbeider, werkte zich op tot werfleider. Omdat hij zelf nooit had kunnen studeren, hoopte hij dat zijn enige zoon dat wel zou doen en zou opteren voor een beroep met allure, ingenieur of zo. Aspe’s Franstalige moeder vond geen werk omdat ze het Brugse dialect niet volledig onder de knie had. Ze was een teruggetrokken vrouw, deels te wijten aan haar inborst maar ook omdat ze moeilijk met haar omgeving kon communiceren.  Aspe zelf was een nakomertje: zijn oudste zus ging al uit huis toen hij twee was, zijn andere zus was zeven jaar ouder. Onder druk van zijn vader schreef hij zich na de middelbare school in aan de universiteit en beweerde dat hij er rechten ging studeren. Hij had echter stiekem voor politieke en sociale wetenschappen gekozen, omdat die richting de minste lesuren telde. “Ik weet niet of mijn vader het ooit geweten heeft”, zegt hij en zijn rechter mondhoek krult even ontdeugend omhoog - al lachen zijn ogen niet mee. “ Een lang leven was die studie echter niet beschoren want op mijn negentiende verjaardag trouwde ik al en nog diezelfde zomer werd ik vader van mijn oudste dochter. Mijn eigen vader wilde me niet langer financieel steunen, mijn streng katholieke schoonouders noemden me des duivels. Plots moest ik mijn plan trekken en de kost verdienen. Bij gebrek aan een hoger diploma ging ik dan maar PVC buizen verkopen.” Dat hield Aspe ongeveer twee maanden vol. Daarna vond hij een baantje als ‘makelaar in granen.’ “Dat klinkt chiquer dan het was. Ik moest mensen vragen om granen te koop aan te bieden en vervolgens een koper zoeken. Het was een keiharde wereld waarin er hevig kon gediscussieerd worden over een paar centiemen.” En omdat er ook geen salesman in hem school, solliciteerde Aspe bij een ziekenfonds. “Daar moest ik briefjes voor medische prestaties controleren. Met acht man zochten we naar fouten die slechts zelden gemaakt worden. Het was absurd: de opbrengst van ons speurwerk leverde niet eens genoeg op voor één loon.” Een jaar later werd Aspe tot zijn geluk aangesteld als ‘chef expeditie’ bij een textielfirma van een Nederlander die het groot zag. Helaas ging het bedrijf al na vier maanden failliet. Daarna kwam hij bij de zeevaartpolitie terecht, waar hij aan de lopende band paspoorten moest controleren. Na anderhalf jaar bleek Aspe geslaagd voor het examen en mocht hij als agent van de zeevaartpolitie aan de slag. “Daar heb ik toch even vriendelijk voor bedankt!” In plaats daarvan werd hij studiemeester maar toen ook dat hem niet op het lijf geschreven bleek, opende Aspe een zaak in brocante en herstellingen van oude meubels. Dat hield hij zo’n negen jaar vol. Met zijn echtgenote en twee kleine kinderen bewoonde hij een bouwvallig huurhuis op het platteland. Het dak was half ingestort maar de huisbaas weigerde het te repareren. “Toen belde de pastoor van De Basiliek van het Heilig Bloed: of ik alle kerkmeubelen wilde komen herstellen en in de was zetten. Terwijl ik daar aan het werk was, kwam me ter oren dat de inwonende conciërge op pensioen ging.  Ik kon hem zo opvolgen. Het klonk perfect. Dan had mijn gezin weer een dak boven het hoofd, woonden we terug in de stad en konden de kinderen te voet naar school.” Maar op zijn veertigste begon het toch te knagen. “Vermoedelijk heb ik een midlifecrisis gehad. Dan koop je een motor, begin je iets met een jonge vrouw of ga je voor een carrièreswitch. Ik wist dat ik nog vijfentwintig jaar conciërge kon blijven en een kabbelend bestaan leiden. Plots dacht ik: laat ik eens iets zots doen. Schrijver worden! Ik las veel, dus misschien kon ik ook wel boeken maken. Maar hoeveel auteurs kunnen van hun pen leven? Heel weinig. Dus dacht ik na. Als mijn debuutroman succesvol zou zijn, zou ik pakweg tienduizend exemplaren verkopen en moest ik dat elk jaar kunnen herhalen. Daarom koos ik – geïnspireerd door Jef Geeraerts - voor het misdaadgenre. Dat bereikt een zeer breed publiek én ik zou het makkelijker kunnen volhouden. Bovendien was het gezelliger om te maken dan een diepzinnig boek waarin je je ziel binnenstebuiten keert. Eigenlijk koos ik dus uit luiheid en opportunisme voor dit genre.” Aspe lacht opnieuw en dooft zijn sigaret. Of er misschien een bandiet in hem schuilt? “In iedereen zeker?” Een rechtvaardige flik dan? “Ik heb wel een groot rechtvaardigheidsgevoel maar daarom hoef je nog geen misdaadauteur te worden.”  Hij stapelt zijn pakjes sigaretten op elkaar. Ooit heeft hij na zijn eerste boek uitgerekend hoeveel woorden hij moest schrijven om de drie pakjes die hij dagelijks rookt, te kunnen blijven kopen. Toen waren dat tweehonderd woorden, nu zijn het er nog twee.

Kleingeestig Blankenberge
Zijn succes wijt Aspe grotendeels aan het genre. “Dat is de verdienste van Jef Geeraerts, die heeft de mensen warm gemaakt voor de Vlaamse misdaadroman. Vroeger las men hier enkel importkrimi’s. Mijn misdaadverhalen zijn niet bloederig. Er zit een beetje humor in, een vleugje romantiek, en ik verwijder alle ballast eruit. Mijn teksten zijn hapklaar. Dat klinkt misschien misprijzend maar zo is het niet. Soms haal ik er drie mooie zinnen uit die ik met plezier geschreven heb maar waaraan niemand anders behoefte heeft. Hetzelfde geldt voor het etaleren van kennis. Tegenwoordig vind je alles terug op het internet, dus ik hoef de politieprocedures niet telkens opnieuw toe te lichten. Het blijft amusement, geen vaklectuur.”
Zijn er ook nadelen aan het succes? “De mensen zijn altijd zo vriendelijk. Je weet nooit of het oprecht gemeend is of niet. Bekende acteurs, zangers en televisiepersoonlijkheden worden vaak benaderd alsof ze publiek bezit zijn, zij worden zelfs betast. Tot mijn grote spijt word ik nooit betast.” Weer krult die ene mondhoek. Dat er in Blankenberge wel vaak over hem geroddeld wordt, verzucht hij. “Als ik met mijn oudste dochter over straat loop, fluisteren ze dat ik een jonge, nieuwe vrouw heb. Als ze me met een journaliste zien, is het ook prijs. Laatst kwam de vertegenwoordigster van Omer langs om een bak bier te brengen. Ze bleef wat drinken en nam een taxi naar huis. Toen ze de volgende morgen haar auto kwam ophalen die de hele nacht voor mijn deur had gestaan, deed er alweer een nieuw kletspraatje de ronde. In de zomer is Blankenberge een wereldstad maar in de winter verwordt het hier tot een kleingeestig dorpje waar iedereen elkaar kent en uit pure verveling meedogenloze achterklap verspreidt.” Voer voor een roman, moet hij gedacht hebben, want deze stad vormt het onheilspellende decor van Blankenberge Blues. Aspe schreef de roman samen met Koen Strobbe, auteur van de thriller Kruis en munt en één van de laureaten van de eerste editie van de Aspe Award, die sinds 2015 jaarlijks op de Boekenbeurs wordt uitgereikt door Aspe en zijn vijfkoppige jury.  Strobbe kwam met het idee voor dit boek, wisselde met Aspe van gedachten en om de beurt schreven ze stukken die ze nadien tot één geheel verwerkten.  “Blankenberge Blues vertelt het verhaal van een groepje mensen van divers pluimage dat een aangespoelde potvis op het strand aantreft en daarin een uitgelezen kans ziet om schatrijk te worden. In de endeldarm van de potvis zit immers amber, een soort versteende uitwerpselen, waarvoor de parfumindustrie grof geld overheeft omdat het in combinatie met andere aroma’s onweerstaanbaar ruikt.” Een triller over een geconstipeerde potvis? Pieter lacht: “Ik geloof dat de wetenschap daar een andere term voor heeft. Hoe dan ook, het is een erg spannend boek geworden -vol drama en gitzwarte humor- dat de verstikkende mentaliteit in het winterse Blankenberge messcherp in beeld brengt. ”
Of het moeilijk was het om de pen weer op te nemen? Op 31 augustus overleed Aspe’s echtgenote en al gauw werd beweerd dat hij nooit meer zou schrijven. Aspe schudt zijn hoofd. “Ik heb nooit gezegd dat ik definitief zou stoppen. Enkel dat ik op dat moment niet meer kon schrijven. Toen voelde het volstrekt nutteloos. In december had ik het hier volledig gezien en overwoog ik zelfs om mijn appartement te verkopen en naar Brugge terug te keren. Maar toen ik daar enkele huizen bezocht, voelde ik me er ook niet goed. Dus ben ik toch maar hier gebleven. En op een mooie ochtend in januari scheen de zon binnen en dacht ik: waarom niet? Waarom niet weer gaan schrijven? Wat zou ik anders met de rest van mijn leven doen? Opstaan, koffiedrinken en met de oude mannen in het café op de hoek over voetbal en pensioenen keuvelen?” 

De plaats van het delict
Aspe leerde zijn Bernadette kennen op Kerstavond, vijftien  jaar geleden. Hij woonde toen bij zijn eerste, zwaar hulpbehoevende vrouw in Brugge maar had net besloten om zijn schrijfappartement in Blankenberge te bemeubelen en zich voortaan daar terug te trekken. Hun huwelijk was voorbij, hij zorgde nog voor haar maar de liefde was langs beide kanten al zeker tien jaar op. Op kerstavond slenterde hij door Blankenberge en vond daar één café dat open was. Daar zat ook maar één vrouw: Bernadette. “We raakten in gesprek en ze vertrouwde me toe dat haar huwelijk ook op was. Materieel was alles in orde maar er heerste geen liefde meer in dat huis. En daar kunnen geen dikke wagen of zestig flessen champagne in de kelder tegenop. We praatten de hele nacht.” Binnen het uur wist Bernadette al dat ze die avond de liefde van haar leven had ontmoet. Aspe deed er vierentwintig uur langer over om tot datzelfde inzicht te komen. Bij het afscheid, om half zes ’s morgens, had zij hem gevraagd: “Wilt ge me nog eens ontmoeten?” Hij antwoordde: “Mag ik uw telefoonnummer? Ik zal het memoriseren want mijn vrouw controleert mijn zakken op papiertjes.” De volgende dag belde hij zoals beloofd maar kreeg hij een verwarde Waal aan de lijn. Aspe had het nummer niet correct onthouden. “Er zat niets anders op dan diezelfde avond naar de plaats van het delict terug te keren. Ik was bereid om de hele nacht op haar te wachten maar na vijf minuten stapte ze al binnen. Boos omdat ik niet gebeld had, blij om me te zien.” Na die avond lichtten Aspe en Bernadette hun beide partners in. “We gaven alles op om bij elkaar te kunnen zijn, ook al kenden we elkaar nauwelijks. Mijn dochters waren inmiddels dertigers, zij hadden het moeilijk met mijn keuze maar dat loste zich uiteindelijk redelijk vlot op. Voor Bernadette lag het moeilijker: zij had twee inwonende kinderen van 12 en 15. Na de scheiding verbraken zij het contact en dat viel haar bijzonder zwaar.”  Al enkele maanden later besloot het nieuwbakken koppel te gaan samenwonen. “Ik waarschuwde Bernadette: als je voor mij kiest, ben ik er elke dag, ik ben altijd thuis. Maar ze antwoordde vastbesloten dat ze bij mij wilde zijn.” En zo geschiedde: ze waren zo veel mogelijk samen en traden in 2005 het huwelijk. Slechts driemaal werden ze van elkaar gescheiden, toen zij vliegangst kreeg en hij voor zijn werk een paar dagen naar Rome, Zuid-Afrika en Laos moest. “Bernadette weende dikke tranen  op het terras omdat ze me zo miste. Toen ik thuiskwam zei ze: ‘Dat vliegen, ik ga dat terug doen.’ Onze liefde, die was niet geromantiseerd, dat was échte romantiek.”

Afscheid van de liefde
Aspe staat op en schenkt zichzelf in de open keuken een nieuwe Omer in. Zijn eenzaamheid hangt voelbaar in het appartement dat hij zo lang met zijn echtgenote deelde. Ze is aanwezig in de aankleding van de ruimte. In het liefdesgedicht dat hij voor haar schreef en dat in kaligrafische letters op de muur geschilderd staat. In het uitzicht over de haven en de vage einder, wellicht het laatste vergezicht dat ze gezien heeft. Aspe gaat weer zitten en steekt een nieuwe sigaret op. “In juni had ze last van een droge hoest. Rokershoest, dachten we. We waren uitgenodigd voor het huwelijksfeest van een achterneef in Bordeaux maar de dag voor het vertrek zakte Bernadette door haar benen. Een heel akelig beeld. Ze kwam recht met veel rugpijn. De dokter dacht dat het een lumbago was en gaf haar een spuit. Dat verlichte de pijn maar de hoest bleef. Antibiotica hielp niet en we werden doorverwezen naar het ziekenhuis. De volgende dag kregen we telefoon van een arts. Dat hij heel, héél slecht nieuws had. Bernadette had terminale longkanker, niet te behandelen, overal uitgezaaid. Die rugpijn werd veroorzaakt door tumoren op haar ruggengraat. Samen begonnen we hevig te huilen. Wat nu, wat nu? Daarna kwam er een soort verdwazing over ons heen, we waren als verdoofd. We dachten zelfs: als we morgen ontwaken, blijkt het allemaal een boze droom.” Toen tot hen doordrong  hoe weinig tijd ze nog samen hadden, besloten ze om er het beste van te maken.“We  zijn samen kwaad geweest, maar niet lang, want dat vonden we nutteloze energie. De dingen mooier voorstellen dan ze waren, leek ons ook zinloos. We wisten allebei hoe de vork in de steel zat.” Dat ze uiteindelijk nog veel gelachen hebben, vertelt Aspe met vochtige ogen en een barstje in zijn stem. Bernadette koos ervoor om thuis te blijven, met veel volk om haar heen, dat ze soms onder zachte dwang moest buitenzetten omdat haar gasten het te gezellig vonden. Aspe week niet van haar zijde, sliep naast haar bed op de zetel in de woonkamer en kwam nauwelijks buiten. “De eerste zeven weken was ze nog zichzelf. Soms zei ze lachend: ‘Ik ben nog niet dood, hé.’ We hadden ook gesprekken over later. ‘Wat ga je doen’, wilde ze weten. ‘Je gaat toch behoefte krijgen aan seks. Zorg dat het met een mooie vrouw is’, zei ze dan. Soms leek er niets aan de hand. Maar toen ging het opeens pijlsnel bergaf.” Bernadette was drie dagen comateus en stierf vredevol. Ze werd slechts 54.
“Haar optimisme was haar kracht. Ze was sterk op een bescheiden manier, zonder ooit show te verkopen. Zelfs tijdens haar aftakelingsproces bleef ze optimistisch. Dat maakte indruk, veel vrienden verwonderden zich over haar moed. Ik was het gewend dat ze sterk was. Dat trok me zo aan in haar. Het gaf haar ook de kracht om onvoorwaardelijk lief te hebben. Sommigen zeiden dat ze bij mij was voor het geld. Anderen beweerden dat ze mijn slavin was omdat ze ons altijd samen zagen en zij me ‘volgde als een hondje’. Zulke ordinaire uitspraken. En probeer Bernadette maar eens af te richten! Hoe zij haar been –liefdevol- kon stijf houden…  Dan kon je maar beter toegeven. “ Aspe glimlacht. “Onze liefde draag ik in me mee. Nu hoor ik vaak dat onvoorwaardelijke liefde niet voor iedereen is weggelegd. En nu pas besef ik dat wat wij hadden, alles behalve vanzelfsprekend was.”

De truken van de foor
Een deel van het rouwproces  hebben ze samen beleefd, de rest doorstaat Aspe nu alleen. Het verdriet is enorm, zijn leven is een aaneenschakeling van pijnlijke eerste keren geworden. De eerste kerst zonder haar, de eerste Valentijn zonder haar, de eerste lente, boekvoorstelling, zijn eerste verjaardag zonder haar. “In december bereikte ik een dieptepunt. Op een avond, ik had te veel gedronken, heb ik een ietwat suïcidaal bericht op Facebook gepost. Ik dacht dat niemand dat las. En er stond een smiley achter, ter relativering! Maar toegegeven, in die tijd kampte ik wel met zeer donkere gevoelens.” Gelukkig vindt Aspe steun bij zijn vrienden en staan er onverwacht mensen voor hem klaar die hij al lang oppervlakkig kent maar voorheen weinig zag. Ook het contact met zijn kinderen en kleinkinderen doet deugd. “’Opa zee’, zeggen de kleintjes. ‘Opa bootjes’. Vertederend... Die weten nog van niks.”
Intussen is het Aspe duidelijk geworden dat Bernadette vlak voor haar dood nog heel wat mensen instructies over hem heeft gegeven. “Er zijn vrienden die nu plots opletten dat ik op straat niet over scheve tegels of opstapjes struikel. Of die in het oog houden dat ik toch zeker om de twee dagen een proper hemd aandoe. Er wordt voor me gezorgd zoals Bernadette dat deed.”
Om de dagen door te komen, vult Aspe nu de leegte op met schrijven, radio luisteren en televisieseries bekijken. “ ’s Ochtends krijg ik het gezelschap van mijn vriendin Klara, ’s avonds biedt mijn vriend Omer me troost”, glimlacht hij terwijl zijn ogen nog glanzen. “Bernadette stelde mij destijds voor dat ik in de voormiddag zou schrijven opdat we de namiddag samen konden doorbrengen. Nu zij er niet meer is, schrijf ik ’s middags. Dan is de dag sneller om. Nadien kijk ik naar series, die helpen me om niet na te denken. Dankzij National Geographic val ik uiteindelijk toch in slaap. Het zijn methodes om te overleven. Je kunt de rouwende weduwnaar niet blíjven uithangen. Bij kennissen probeer ik dat nu te vermijden –  noch zij, noch ik willen die intimiteit met elkaar delen. Dus bedien ik me van de truken van de foor om mijn verdriet te verhullen.”
Momenteel werkt Aspe aan het boek dat het laatste in de Van In-reeks wordt genoemd. Opnieuw een afscheid. Al twijfelt hij of het effectief de allerlaatste wordt. “Begin ik nadien met iets nieuws, iets totaal anders? Mijn lezers zeggen me dat ik moet blijven voortdoen. Ik weet het dus nog niet. Of er iets aan mijn schrijven is veranderd sinds de dood van Bernadette, kan ik ook moeilijk zeggen. Ik vermoed van wel. Al probeer ik zeker niet zwartgallig te worden. Tenslotte schrijf ik geen dagboek, het is niet de bedoeling om mijn trouwe publiek met mijn problematiek op te zadelen. Nee, ik denk niet dat ik ooit over mijn ervaringen zal schrijven in de Van In-reeks. Dat past daar simpelweg niet in. Misschien doe ik het wel in een volgend project, in samenwerkingsverband. Wie weet werkt het therapeutisch.”
Aspe blaast zijn wolkje uit en dooft zijn sigaret in een glazen asbak. Dan kijkt hij hoopvol op. “Zeg, zullen wij samen nog wat gaan drinken in het café op de hoek? Dan heeft de goegemeente weer iets om over te kletsen. Dat wordt lachen als ze me weer samen zien met een jonge vrouw! Wacht, dan trek ik mijn zwarte, suède machojasje aan.”

Blankenberge Blues, uitgeverij Manteau, 320 bladzijden, € 21.99




Pieter Aspe 
- heet officieel Pierre Aspeslag en woont in Blankenberge.
- werd geboren in Brugge op 3 april 1953 als broer van twee veel oudere zussen.
- is de meest gelezen Vlaamse misdaadauteur in eigen land en buitenland.
- werd het bekendst met zijn misdaadreeks rond hoofdinspecteur Pieter Van In en substituut Hannelore Martens..
- won verschillende prijzen zoals de Hercule Poirotprijs voor zijn roman Zoenoffer, Humo’s Gouden Bladwijzer, en de Hercule Poirot Oeuvreprijs.
- heeft twee dochters, Tessa Aspeslag (45) en Mira Aspeslag (43)
- kreeg in 2006 een hartaanval, stortte op straat in elkaar maar dronk na zijn operatie een Duvel met zijn cardioloog, wat voor de nodige opschudding zorgde.
- zag zijn boeken als basis dienen voor de VTM-reeks Aspe, met Herbert Flack en Francesca Van Thielen in de hoofdrollen.
- heeft zijn eigen prijs: de Aspe-award, die sinds 2015 jaarlijks op de Boekenbeurs wordt uitgereikt.
- schreef ook twee jeugdboeken en vier novellen.
- vind verzamelen verslavend: vroeger collecteerde hij alles over de Heilige Bloedkapel en spendeerde daar fortuinen aan. Tegenwoordig speurt hij naar oude stripboeken en ook dat kost hem een aardige duit.
- verloor op 31 augustus 2015  zijn echtgenote Bernadette met wie hij toen tien jaar getrouwd was.
- publiceerde op 29 maart de thriller Blankenberge Blues die hij samen met Koen Strobbe schreef en schrijft volop aan Argus, de werktitel van het volgende Van In-boek, mogelijk het laatste in de rij.


zondag 2 april 2017

Flor Hermans (bis)

Flor sprak niet enkel in de overtreffende trap, hij was een vleesgeworden superlatief. Niets was hij een beetje. Hij was alles héél. Heel getalenteerd, heel grappig, heel gesloten, heel kritisch, en ga zo maar door. Zo iemand kennen, is nooit vrijblijvend. Dat weten jullie allemaal.

Zoals sommigen van jullie ook weten, waren er periodes waarin mijn vader en ik elkaar vaak zagen en waarin we geen contact hadden. Ongeacht die hindernissen hield ik van hem. Een kind blijft een kind. Een vader blijft een vader. Dat wil helaas niet zeggen dat het altijd even soepel verloopt.

Onze grootste gemeenschappelijke deler was ongetwijfeld onze grootste liefde: de schoonheid. In mijn ogen, en wellicht ook in die van jullie, was mijn vader een toegewijde dienaar van al wat mooi is, van al wat ontroert.
Hij was zo geraffineerd en intens gevoelig, hij had zulk een ontwikkeld oog voor kwaliteit, kleur, compositie en detail. Dat uitte zich in zijn werken en vioolspel, in zijn kennis van alle vormen van kunst. Maar ook in zijn bewondering voor mooie meisjes. In zijn vriendschappen, zijn woordkeuze, zijn prachtige sjaals, zijn handschrift, zijn humor, zijn lavendelzeep. Zelfs in zijn solide doch elegante vrouwenfiets.

Al wat hij lelijk vond leek mijn vader resoluut en consequent te willen buitensluiten, opdat het mooie er niet door zou worden aangetast.

Toen kwam de dag waarop ik hem een zeer lelijke gebeurtenis toevertrouwde, iets wat ik als klein kind heb meegemaakt. Hij wilde er niet van weten omdat dit zijn fraaie beeld van mij, opgroeiend in een huisje te midden van de natuur, bezoedelde.
Maar hoe meer die lelijke gebeurtenis mijn aandacht vroeg, hoe meer die zelfs mijn leven ging bepalen, hoe moeilijker ik het vond om me samen met mijn vader enkel op het mooie te focussen. Ik ervoer zijn toewijding aan het verhevene, het nobele, plots als een beperking, als de dictatuur van de schoonheid. Voor mij bestaat de schoonheid niet zonder zijn tegenpool.

Tijdens onze laatste gesprekken in het rusthuis in de Vredestraat, kwam het thema schoonheid opnieuw aan bod. Ik hield zijn hand in de mijne en hij sprak voorzichtig: “Ik heb nagedacht… ook al leeft ge in een klein huis in de natuur, met een wilgje in de tuin, hoe schoon het daar ook is, ik begrijp nu… ook daar kunt ge heel verdrietig zijn.”

We speelden het onbenoemde spel dat we vroeger speelden: dan bekeken we een schilderij dat we prachtig vonden en duidden om ter snelst het belangrijkste stuk aan: die ene toets die niet mocht ontbreken, die ene kleur die al de andere meer intensiteit gaf, die diagonaal die het tot leven bracht, die schaduw of lichtvlek die zo cruciaal was dat het ons een plezierig pijn bezorgde. Vaak liet mijn vader me winnen – ik denk niet dat hij trager was dan ik, maar dat hij ervan genoot om te ontdekken dat we hetzelfde zagen.
De laatste keer dat we dit spel speelden, was met een indrukwekkend werk van Tom Liekens. Ik had een foto meegebracht van diens grote schilderij vol eksters en met een bevende vinger ging mijn vader op zoek naar het belangrijkste puzzelstuk. Dit keer liet ik hem winnen.

Tijdens een ander gesprek legde mijn vader me uit waarom hij geen mooie voorwerpen in zijn lelijke kamer wilde. Hij zei dat hij er zelfs geen elegante kopjes wilde, geen smakelijk eten, niet één van zijn violen. Het contrast zou te groot zijn, het zou hem te veel pijn doen. Daarom bracht ik hem thee in een alledaagse plastieken thermos, met glaasjes uit de Blokker. Dan wilde hij er wel van drinken. “Dat is een zeer bijzondere, Japanse thee”, sprak hij zacht. Ik antwoordde eerlijk dat het Lipton uit de Colruyt was maar dat wilde hij niet horen.

Na ons theeritueel biechtte ik hem op dat ik in mijn eigen huis wel een compromis heb gesloten. Dat daar mooie voorwerpen naast praktische spullen staan, dat een fragiel decor niet mogelijk is omdat ik er met een grote man samenleef die al eens iets omstoot. “Misschien”, zei mijn vader toen nadenkend, alsof hij de woorden voor de eerste keer proefde, “Misschien is dat wel ware schoonheid, dat ge het lelijke én het gewone, met het schone kunt verenigen.”

Niet veel later verhuisde mijn vader naar zijn kamer in het zorgcentrum in de Hemelstraat, waarnaar hij toch enkele mooie bezittingen liet komen, en hij stuurde me een sms: “We hebben het dan toch ingericht, ik ben benieuwd wat ge ervan denkt.”

Toen kwam die laatste, onverwachte dag in het ziekenhuis. Ik liep zijn kamer binnen, boog me over hem heen en zei dat ik er was. Moeizaam bracht hij met zijn laatste kracht enkele klanken uit. Ik antwoordde dat hij niet hoefde te spreken maar vastbesloten herhaalde hij ze toch. Ditmaal verstond ik hem. Hij zei: “Ik hou van jou.” Het was de eerste keer. En ik antwoordde, met heel mijn hart: “Ik hou ook van jou, ik heb altijd van je gehouden, wij hebben altijd van elkaar gehouden.” En ik kuste zijn wangen en zijn voorhoofd, en een traan rolde uit zijn ooghoek langs zijn slaap op het kussen.

Daarna zaten Reinhilde en ik uren aan zijn zij. Zij hield zijn rechterhand vast, ik zijn linker. Hij was nog steeds een hele knappe man. In dat steriele ziekenhuisbed, met al die slangen, al dat plastic. De muren achter hem hadden een aftandse kleur bordeaux en zalmroze, er hing een treurige, verslenste Jezus boven de deur, het raam keek uit op een container vol met afval.
Hier lag mijn vader, die zijn hele leven aan de schoonheid had gewijd, die zich steeds had omringd met de mooiste, sierlijkste voorwerpen, te midden van zo veel lelijkheid.
Maar ook wij zaten daar. Twee van de vele vrouwen die van hem hielden. En we betten zijn lippen en slapen, we zeiden lieve dingen, we streelden zijn handen en voorhoofd. Ik geloof dat hij toen wist wat ook ik nooit meer zal vergeten: dàt was de puurste vorm van schoonheid, die alle andere vormen overstijgt. Dat was de liefde.

Tijdens een van onze laatste gesprekken, vertelde mijn vader me over een tekst die hij zelf had geschreven, die in een boek van Demian was verschenen en waarop hij stiekem heel fier was. Uitvoerig en beeldend beschreef hij me de kinderherinnering die daarin voorkomt. Graag wil ik die tekst nu aan jullie voorlezen. Of beter gezegd: mijn stem aan Flor lenen, opdat hij het laatste woord heeft.

(Deze tekst las ik voor op zijn begrafenisplechtigheid op 1 april 2017)



maandag 27 maart 2017

Flor Hermans

Flor Hermans, mijn vader, is 25 maart om 14:02 overleden. Zijn dierbare vriendin Reinhilde Decleir en ik waren bij hem sinds deze morgen. Hij is rustig ingeslapen.
Flor was een artiest. Mensen kenden hem als schilder, als violist bij Wannes Van de Velde / in de zigeunerkelder /..., als leraar, als geliefde, als vriend, als vaste waarde in Antwerpen / de Zeppos / de Witzli Poetzli / de Kat ...
Ik kende hem als een zeer intelligente, koppige, soms angstige, steeds eigenzinnige, knappe, introverte en humoristische man, met een grote liefde voor schoonheid, literatuur, beeldende kunst, film, muziek, lekker eten, theater en ook… vrouwelijk schoon.
Onze relatie was moeilijk, er waren periodes waarin we lang geen contact hadden, maar de afgelopen maanden hebben we het goedgemaakt en datgene gezegd wat belangrijk was. Ik heb altijd van hem gehouden. Dat heb ik hem vandaag ook nog kunnen zeggen.

Vrienden en kennissen van Flor Hermans die graag afscheid van hem willen nemen, zijn welkom op de viering in het Zuiderpershuis, zaterdag 1 april, 11 uur.
Op donderdag 30 maart is er een publiek groetmoment in het uitvaartcentrum Eugène Timmermans (groetruimte Lobbes), van 19 tot 20 uur.






Flor Hermans. 24 februari 1935 - 25 maart 2017.

vrijdag 3 maart 2017

Interview met Fleur in Psychologies Magazine



Het volledige interview lees je hier, een voorsmaakje alvast hieronder:

Was dat in je vroegere liefdesleven anders? 
FvG: ‘Ik heb relaties gehad die niet constructief waren, waar te weinig liefde was, te weinig respect. Maar als je regelmatig vernederd wordt, komt er een moment dat je je eigen grenzen toch heel scherp aanvoelt. Dan begin je je te verdedigen en begin je aan dat zelfrespect te bouwen. Achteraf gezien ben ik zelfs dankbaar. Die pijnlijke ervaringen hebben me daar uiteindelijk bij geholpen. Maar ik moest er wel eerst tot op de bodem voor gaan. Ik ga niet het slachtoffer uithangen, dat ligt niet in mijn aard. Ik besef dat het voor een deel ook aan mezelf lag: als je je grenzen niet aangeeft, kan je monsters creëren.’
Je werkt momenteel aan een boek over hoogsensitiviteit. Wat heb je daarmee? 
FvG: ‘Ik had honderd op honderd voor de test. Ik blijk dus in extreme mate hoogsensitief te zijn. Waar bij gewone mensen enkel de hoofdzaken binnendringen, komen bij mij alle prikkels ongefilterd binnen. Dat triggert je alarmsysteem waardoor je sneller in stress komt, sneller geprikkeld wordt. Hoogsensitieve mensen zijn ook bijzonder empathisch, die voelen alles heel erg aan. Ze komen een ruimte binnen en absorberen andermans emoties.’
Een bijzondere eigenschap, lijkt me dat. 
FvG: ‘Maar niet altijd gemakkelijk. Ik heb er een hele tijd over gedaan om mijn eigen gebruiksaanwijzing te ontdekken. Ik ben wel blij met het boek dat ik erover mag schrijven. Enerzijds is er de theorie, anderzijds is er de praktijk en daar zal ik het over hebben. De dingen die je meemaakt als hoogsensitieve. Ik hoop dat het boek een soort vriendin kan worden voor mensen die hoogsensitief zijn.’
Tekst Sigyn Elst – Foto Marleen Daniëls

maandag 13 februari 2017

Interview: Katrijn Van Bouwel

“Ik ben een zondagskind, ondanks mezelf”

Misschien wil ze eeuwig blijven bestaan. Net als de protagoniste in haar debuutroman. Elke dag is het feest en soms verwijst Katrijn Van Bouwel naar zichzelf als kleine Katrijn. Maar dan loert de faalangst om de hoek. Moet ze grenzen stellen. Het volwassen leven dringt zich aan haar op. Met een misselijkmakende angst voor de dood tot gevolg. Portret van een meisje dat haar eigen muze werd.

tekst: Fleur van Groningen
Deze tekst verscheen eerder in De Morgen Magazine, op 11 februari 2017. Foto’s: Jef Boel.



Katrijn Van Bouwel (35) zette zichzelf op de kaart als improvisatie actrice: in 2011 won ze de impro-cup,  niet veel later dook ze op in het humoristische Vier-programma Spelen met uw leven. Ook op Twitter weet ze een publiek te boeien: daar verzamelde ze met haar grapjes en woordspelingen al bijna twaalfduizend volgers. Knack Weekend zag er wat in en nodigde haar uit een proefcolumn te schrijven – inmiddels staat Katrijn tweewekelijks in het blad. Maar de fijne reacties op Twitter moedigden haar aan om haar kinderdroom waar te maken: haar debuutroman De Muze en het meisje ligt sinds oktober in de boekhandels. Een verhaal over eeuwigheid en vergankelijkheid, en je eigen lot in handen nemen. Al is het ook een ode aan de taxidermie. Dit gesprek vindt dan ook plaats te midden van de opgezette dieren. Een goudfazant, pauw, kuikentje, roodstaartpapegaai en bosuil kijken over haar schouder mee als ze de theepot op tafel zet. Speciale groene thee met rozensmaak, uit een blauw met goud versierd blikje dat ze voor haar verjaardag kreeg. Te feestelijk voor een interview? Niet volgens Katrijn. “Je hebt maar één leven en juist daarom moet je op elke dag een kroontje zetten”, verkondigt ze terwijl ze de dampende drank in bleke porseleinen kopjes met donkerblauwe motieven uitschenkt. De kamer begint naar rozen te geuren. Als kind vond Katrijn het ook al raar dat mooie blouses en lekkere hapjes voor speciale gelegenheden werden bewaard. “Mijn verjaardag is op 7 december, pal tussen de feestdagen. De sint, kerstmis, oudjaar, drie koningen, intussen zelfs mijn relatiejubileum… Het valt allemaal in dezelfde maand.  Vroeger werd ik daar weerbarstig van: andere kinderen konden uitkijken naar hun verjaardag, voor mij was alles in één keer voorbij. Mijn dag viel niet tussen de soep en de patatten maar juist tussen de cadeautjes en taart!” Dankzij haar vriend kreeg Katrijn alsnog dat felbegeerde verjaardagsgevoel. Ze zijn al heel wat jaren samen. Zij leert hem om van elke dag een feest te maken en hij leert haar om speciale dagen nog specialer te maken. “Wouter maakt van mijn verjaardag een dag vol rituelen waarnaar ik uitkijk als een klein kind. Dat is voor mij waardevoller dan alle andere cadeaus.” Zelf  maakt Katrijn het ook graag gezellig voor de mensen om haar heen. “Met kleine dingen een groots effect creëren”, noemt ze dat en wappert quasi theatraal met haar handen. “Dat ik zelf ook eens in de watten word gelegd, is heerlijk.” Terwijl ze zich op de bank nestelt, legt ze uit waarom rituelen zo’n belangrijke plaats in haar leven innemen. Ze geven het alledaagse glans. “Daarom probeer ik alles uit de feestdagen te halen. Ik vier twee keer Moederdag, zet een kerstboom en een paasboom, bak pannenkoeken met Maria lichtmis, zet op Allerheiligen wafels op tafel en serveer worstenbrood en appelbollen op Verloren Maandag. Dat laatste heb ik dankzij mijn Antwerps lief in mijn zijn geïntegreerd. Veel van wat ik fijn vind, heeft met eten te maken. Omdat je daarbij op een zeer onbevangen manier je zintuigen gebruikt en nostalgisch wordt. Dat bezorgt me een gevoel van verbondenheid met mensen en het verleden. Omdat er al genoeg onzekerheden zijn, geeft het me hoop voor later.”
Die liefde voor rituelen kreeg Katrijn van thuis uit mee en stelde haar als kleintje al gerust. Haar ouders werkten allebei, er waren veel kinderen in huis en daar ging het er soms chaotisch aan toe. Maar met Kerst wisten ze steeds wat er op tafel zou staan. En zo waren er veel vaste gewoontes met lekker eten. “Mijn moeder heeft een beroep gekozen waarmee ze geld kon verdienen én voor haar kinderen zorgen: ze is sociaal verpleegkundige op een school voor mindervaliden. Hierdoor was ze alle vakanties bij ons en moesten wij nooit naar de opvang. Toe we oud genoeg waren heeft ze zich volledig omgeschoold, voor mij hét voorbeeld dat je je leven elk moment in handen kunt nemen en een nieuwe richting geven.
Op school waren wij altijd die ‘alternatieve kindjes” van ‘dat rare gezin’. Mijn vader presenteerde op de klassieke radio. Van hem – maar zeker ook mijn mama- heb ik de liefde voor het woord geërfd. Mijn ouders lazen allebei veel voor. Toen mijn vader naar Peru moest voor een muziekopname, liet hij een cassette met ingesproken verhalen voor zijn kroost achter. Op het eind van elk verhaal wenste hij ons één voor één slaapwel. Daar moesten wij om wenen – het zoete gemis van datgene wat waardevol is.”
In die tijd had Katrijn twee zusjes en één broer – ze was de op één na oudste. Toen ze naar het eerste middelbaar ging, scheidden haar ouders. Het kwam niet als een verrassing. Natuurlijk vond Katrijn het jammer maar ze was oud genoeg om te beseffen dat ouders meer dan één rol hebben. “Ze waren een topteam in het ouderschap maar niet zo’n goede match in het partnerschap.” Het verdriet dat volgde, was zwaar om dragen. Haar oudste zus maakte zich grote zorgen over de kleinere kinderen, Katrijn over het co-ouderschap. “Ik zie mezelf nog op het parket zitten en mijn mooie truien eerlijk verdelen over twee stapels: eentje voor bij moeke, eentje voor bij vake. Dat kan je niet met jezelf doen. Het voelde als een onoplosbaar leed.” Gelukkig kan Katrijn goed opschieten met de nieuwe partners  van haar ouders. Haar stiefvader bleek iemand die het beste met haar voorhad. De scheiding maakte haar daarom verre van cynisch: de liefde vermeerderde zich en kwam opeens uit onverwachte hoeken. Daarom meent Katrijn dat haar geloof in de liefde juist sterker is geworden: “Er bestaan vele soorten liefde, zonder hiërarchie, die perfect naast elkaar kunnen bestaan.”
Toch voelt ze zich soms onzeker over zelf moeder worden. “Je wil de beste omstandigheden als je nieuw leven creëert maar daarover heb je geen controle. In het ideale scenario voeden de ouders het kind samen op. Je weet alleen niet hoe je zult veranderen door het ouderschap. En hoe dat je relatie beïnvloedt. Geen enkel leven gaat enkel over rozen maar je wil de schade natuurlijk wel beperken. Anderzijds heeft de scheiding van mijn ouders me ook heel wat moois gebracht.”
Haar nieuwe stiefvader had al een dochter uit een eerder huwelijk: een peuter die om de week een week  bij hen woonde. Katrijn zag haar van dreumes naar vrouw evolueren. Langs vaderskant kwamen er drie zussen bij. Toen studeerde Katrijn al aan de universiteit en gingen zij naar het middelbaar: “Ik ben van het ‘principieel graag zien’, zij zijn ook mijn zussen, al hebben we geen gedeelde jeugd.” Al bij al had Katrijn een fijne kindertijd maar als ze erover vertelt aan haar vriend, noemt hij haar anekdotes soms donker. Misschien omdat ze liever op de weemoedige passages terugblikt dan op de vrolijke momenten, vraagt ze zich hardop af.“Er is niets mis met negativiteit, het is even echt als positiviteit. Alles wat raakt vind ik mooi - kabbelende tevredenheid doet me gewoon weinig.”

Verlammende faalangst
Ze is conflictvermijdend opgegroeid, legt Katrijn uit. Het moet voor iedereen goed zijn. Een familietrekje, dat weet ze wel zeker. “En een mooie eigenschap, al incasseer je wel erg veel en hoe flexibeler je bent, hoe makkelijker je uit model raakt.” De laatste jaren probeert ze daarom te ontdekken wat ze zelf wil. Ze betrapt zichzelf erop hardop te experimenteren met verschillende meningen. Het moeilijkste aan het volwassen leven: grenzen afbakenen. “Je moet weten wat je wil -terwijl ik heel fluïde ben- en daar dan voor opkomen. Ik merk dat ik dat al doe bij vertrouwenspersonen maar nog niet in de meer dagelijkse sociale contacten of mijn job. Als freelancer wil je niet zonder werk vallen. Ik moet opletten dat ik niet bij iedereen in een goed blaadje probeer te staan. Dat ik geen Mata Hari zonder opdrachtgever word!” Want voor ze het weet doet Katrijn dingen tegen haar zin. “Dat is mijn grootste valkuil: wil ik het zelf of wil ik het omdat anderen me dan leuk vinden? Maar ik word ook graag leuk gevonden!”, legt ze fronsend uit.
Ook faalangst is Katrijn niet vreemd. Dat weerhoudt haar er vaak van om initiatief te nemen. “Mijn extreme uitstelgedrag  komt voort uit even extreme onzekerheid en maakt andere mensen soms boos. Hoe durf ik aan mezelf te twijfelen, na alles wat ik bereikt heb? Ze vinden me ondankbaar.” Waarvoor ze dan zo bang is? Dat ze dwaas en hoogmoedig was te denken dat ze iets kon. “De meeste mensen zijn sneller tevreden over mijn prestaties dan ik en daardoor voel ik me eenzaam. Applaus voor een matige prestatie brengt me volledig in de war. Dan voel ik me niet langer verbonden en vergeet ik mijn eigen criteria, verlies ik als het ware de handleiding van het leven. Als aanmodderen  al genoeg is, stel ik me existentiële vragen over zingeving.” Die faalangst hield haar nog het meest in de greep tijdens haar studentenjaren. Een periode waarvan ze het meeste verwachte en naar eigen zeggen het minste van heeft gemaakt. Met spijt denkt ze eraan terug.“Ik heb lang gestudeerd maar ik had meer moeten doen: meer vakken leren, me daar ernstiger in verdiepen, al beginnen met schrijven en avonturen beleven.” Katrijn noemt zichzelf iemand die heel veel wil maar de juiste mogelijkheden niet creëert. “In mijn leven is er veel zomaar gewoon gebeurd. Ik kreeg veel kansen in mijn schoot geworpen. Of ze werden me zelfs opgedrongen tot ik in actie schoot. Daardoor had ik steeds het gevoel dat het niet mijn eigen verdienste was, dat ik het ondanks mezelf had gerealiseerd in plaats van dankzij mezelf. Zelfs gaan improvisatie-acteren, wat ik zo graag doe, was niet mijn eigen beslissing. Ik begon ermee omdat iemand me letterlijk voor de deur van de cursus afzette met de woorden: “Dit is echt iets voor jou!” Dat was ook zo – het is een van de weinige dingen waarvan ik zeker weet dat ik het kan.” Zowel haar columns in Weekend Knack als haar optredens op podia of in televisieprogramma’s zijn er  gekomen omdat ze gevraagd werd. Auditie doen is haar vreemd. Katrijns Twitter-account werd  zelfs aangemaakt door iemand  anders en daar verzamelde ze inmiddels al bijna twaalfduizend volgers.  “Ik ben meegaand”, verklaart Katrijn glimlachend. En net daarom is haar boek zo belangrijk voor haar. “Dat heb ik helemaal alleen gedaan. Eerlijk: ik achtte het onmogelijk dat ik daartoe in staat was. Soms doe ik er drie dagen over om een pakketje op te halen bij de post omdat ik op de bank zit, gegijzeld door vage angsten en een algeheel gevoel van verdoofdheid. Dus zei een stemmetje in mijn achterhoofd: “Als jij niet eens bij de post geraakt, hoe ga je dan een heel boek schrijven?” Recent werd dat stemmetje toch het zwijgen opgelegd: De Muze en het meisje ligt in de boekhandels. Op barokke en zintuiglijke wijze vertelt de roman het verhaal van de jonge Mila, die schildersmodel wordt in de hoop dat een kunstenaar haar zal vereeuwigen op doek. Als ze voor de charmes van schilder Torven Storm valt, blijkt hun relatie niet op hun persoonlijkheden gestoeld te zijn maar op datgene wat ze voor elkaar kunnen betekenen.  Of zoals het citaat op de eerste pagina luidt: “IJdelheid der ijdelheden, alles in ijdelheid. – Prediker, 1:2.” De Muze en het meisje is geen autobiografisch relaas maar gunt de lezer wel in blik in Katrijns hoofd. Ze  schreef het boek immers voor het meisje dat ze ooit was en niet meer is, mede dankzij het schrijfproces. “Lezers zeggen me dat ze voelen dat het doorleefd is, dat ik een aspect van mezelf heb uitgekristalliseerd.” En net zoals Katrijn in haar tweets en columns vaak terugblikt op haar kindertijd, verwijzend naar Kleine Katrijn, heeft ook Mila het veelvuldig over de hare. “Mila wil groots en meeslepend leven maar heeft een hele gewone jeugd gehad”, legt Katrijn uit. “Ik wilde het contrast schetsen tussen dromen en realiteit. Met als boodschap: loop het gewone niet voorbij. Wat wil je, extase of geluk? Veel mensen verwarren dat. Zelf wil ik steeds kersen op de taart van het leven zetten, maar daarvoor heb je wel een taart nodig. Nu voel ik dat het tijd is om te beginnen met bakken.” Dat Katrijn haar grote droom om een boek te schrijven heeft verwezenlijkt, geeft haar zelfvertrouwen. “Voor één keer ben ik tevreden, gewoon omdat het er is. En ik wil met elk boek beter worden. Eindelijk durf ik ambitieus te zijn”, glimlacht ze en ze staart even dromerig naar buiten. Misschien mijmert ze over haar volgende roman.  Daarin zal ze zich afvragen wat belangrijker is: fictie of realiteit?

Extraverte introvert

Op podia en de sociale media onderhoudt Katrijn een rechtstreeks contact met haar publiek. Als auteur is dat indirect. Al schrijvende hield ze zich niet bezig met andermans mening. “Enkel mijn demonen en mijn feeën stonden aan mijn schrijftafel, nooit de lezer. Mijn redacteur en mijn lief vonden alles goed. Ik schreef in dialoog met mezelf, voor mezelf. Daarom is dit boek echt volledig mijn verdienste. Pas toen het uitkwam besefte ik dat het nu aan de lezers toebehoort.”
Of ze die dualiteit ook in zich draagt en zowel extravert als introvert is? Katrijn knikt. “Een extraverte introvert: dàt ben ik. Ik kan me enorm laven aan sociaal contact en er intens van genieten maar het kost me veel energie. In het beste geval betreft het een nuloperatie en ontvang ik evenveel als ik geschonken heb. Zoals op het podium: daar geef je je volledig en krijg je evenveel energie uit de zaal. Andere mensen zien inspireert me omdat ik door hun ogen naar mezelf kijk. Ik moet wel opletten dat het contact dat ik heb oprecht is. Gesprekken die dat niet zijn kosten energie maar zijn nodig voor mijn job. Vandaar dat ik veel belang hecht aan mijn familie en vrienden waarbij ik het thuisgevoel ervaar: dat ik mezelf kan zijn zonder bezig te zijn met hoe zij mij zien.” Katrijn legt uit dat ze zichzelf moet beschermen omdat ze erg gevoelig is. Alles komt héél hard binnen. Haar vriendschappen zijn heel belangrijk voor haar. “Ze maken me heel en dagen me uit om verschillende aspecten van mezelf verder uit te diepen. Ik heb vriendinnen waarmee ik filosofeer, vrienden waarmee ik grootse plannen smeed, anderen waarmee ik lichtvoetig door het leven huppel." Met een zekere poëzie beschrijft ze hoe zij haar facetten polijsten als die van een kostbare steen en haar zo completeren. "Ik ben dol op mensen met een passie, die ergens heel goed in zijn. Hen horen spreken vervult me. Als mensen me dat niet kunnen geven, houdt het op. Ik ben vijfendertig, de plekjes zijn bezet, ik heb geen tijd voor verkennende theegesprekken met potentiële zielsverwanten. Dat klinkt hard, maar ik verkies langdurige vriendschappen boven vele nieuwe vluchtige. Tenzij er meteen een diepe klik is. Mijn vrienden waarschuwen me ook regelmatig voor de ‘manen’ om mij heen: mensen die het zonlicht willen vangen om ook te stralen - zonder dat het hun verdienste is. Ik hoef geen publiek, ik wil een oprechte uitwisseling waarbij je elkaar inspireert. Zonder vrienden vallen lijkt me het ergste wat me kan overkomen: zonder hen verval ik in de melancholische versie van mezelf."

Mannen als hoofdstukken
Katrijn is een onverbeterlijke romanticus en denkt in scènes. “Iemand die sfeerlampen in huis zet wil de werkelijkheid toch ook mooier maken?”, lacht ze.  Tijdens haar studententijd beleefde Katrijn dan wel geen grootse avonturen, ze trachtte wel de kleine dingen groots te maken. “Vaak deed ik iets om het achteraf te kunnen navertellen.” Dat betrof vooral romantische relaties. Mannen zag ze als hoofdstukken in een studieboek,  verschillende soorten relaties wisselden elkaar af, alsook verscheidene vormen van intimiteit.  “Het is nu eenmaal makkelijker om een persoonlijk contact aan te gaan dan pakweg een bedrijf op de richten”,  zegt ze daarover.
Haar huidige relatie is van een andere categorie. Die helpt haar groeien. Ze leert grenzen te stellen doordat ze ziet hoe haar lief dat doet. De discipline en wilskracht waarover hij beschikt, ontroert haar keer op keer. “Soms zit ik de hele dag te niksen op de bank terwijl Wouter in zijn werkkamer ijverig aan de slag is. ’s Avonds hoor ik gerinkel in de vaatwasser en laat ik een traan: hij heeft gecreëerd, angsten overwonnen en nu doet hij op de koop toe iets tegen zijn zin, voor ons. Dan voel ik me zo dankbaar.” Omgekeerd leert zij hem om vaker te improviseren in het leven, om te genieten en niet te streng voor zichzelf te zijn. Ze noemt zichzelf een hedonistische persoonlijkheid, iemand die eerder te zacht  is voor zichzelf en verwennerij opzoekt zonder het werkelijk te verdienen. “Als ik thuiskom en zie dat mijn lief van een mooi  porseleinen bord zit te eten, ben ik blij. Dat is mijn invloed, mijn manier om glans te geven aan het alledaagse, die hij heeft geadopteerd.”
Katrijn prijst zich gelukkig met een onafhankelijke partner. Dat dwingt haar om zowel de buitenwereld als haar innerlijke wereld te trotseren. Mocht hij net als zij een symbiose ambiëren, dan waren ze volgens haar allang verworden tot een passief klompje.

Angst voor de dood

Net als haar personage Mila vreest Katrijn de eindigheid van het leven. Toen ze via een vriendin in contact kwam met de taxidermie, schreef ze zich onmiddellijk in voor enkele cursussen. “Dat je van iets vergankelijks iets eeuwigs kunt maken, is hoopgevend. Voor mij is dieren opzetten een klein en kunstig verzet tegen de onafwendbare vergankelijkheid. Mijn boek is een ode aan de taxidermie. Je neemt de ingewanden weg en voegt kennis en kunde toe aan de werkelijkheid. Je maakt die mooier dan hij was. Je verzoent je met de dood. Naar gelang mijn humeur zie ik in een opgezet dier het zinnebeeld van het leven of een troost voor de dood.” Met grote ogen biecht ze op dat ze onder een grote angst voor de dood gebukt gaat. In die mate dat het haar fysiek onwel maakt, haar tegenhoudt om zaken te ondernemen en haar tegelijkertijd doet vrezen dat ze beperkte tijd verspilt. Om van die angst af te geraken, studeerde Katrijn filosofie. Het mocht niet baten. “ Filosofie, religie, therapie, geen van hen bieden me een geruststellend antwoord.” Is ze dan zo gehecht aan wie ze is? “Ik ben gehecht aan wie ik nog moet worden”, verklaart Katrijn eenvoudig. Na haar dood zou ze graag haar organen afstaan. “Bij voorkeur aan iemand die wel in het eeuwige leven geloofd: dan is er nog hoop voor mijn lijfje.”  Of ze zichzelf zou laten opzetten? Niet per se maar als iemand dat wil doen, mag het. Op Instagram ontdekte Katrijn zelfs een meisje wier voet moest geamputeerd worden en die ze liet opzetten. “Dat meisje gaat nu met haar voet op stap. Kwestie van haar beste beentje voor te zetten…”, grijnst Katrijn en ze biecht op dat humor bedrijven haar helpt haar doodsangst te relativeren. Dàt en haar riante verzameling vintage serviezen in haar grote keukenkast. “Als ik sterf hoop ik dat mijn familie en vrienden allemaal een servies uit mijn collectie komen kiezen.”

Katrijn in wonderland
In januari ging Trix van start, een Ketnet-programma waarin twee jongens en een meisje de wereld der magie verkennen aan de hand van bekende goochelaar Steven Delaere.  Katrijn speelt ook een rolletje: zij geeft gestalte aan Louise, de mama van één der vrienden, die  volgens de generiek ‘niet kan goochelen maar mensen op een andere manier betovert.’“Dit is weer zo’n typische kans die mij in de schoot geworpen werd”, vertelt Katrijn. “Ik zag mezelf vroeger wel als Ketnet wrapper, om de een of andere reden klikt het altijd goed tussen mij en kinderen.” Misschien omdat die de aanwezigheid van Kleine Katrijn bespeuren? Daar had ze nog niet aan gedacht en het zou goed kunnen. “Maar moeite doen om bij Ketnet aan de slag te kunnen en het risico op een afwijzing  nemen? Dat durfde ik niet.” Ze lacht breed. “Nu zochten ze iemand die kan improviseren, de verwondering koestert én met kinderen kan omgaan. Hallo, dat ben ik! En ik mag dan ook nog op een knappe man verliefd worden – niet slecht. Het is superleuk om te doen en ik voel me Katrijn in wonderland: hoe grappig is mijn leven?!”
Toch neemt ze het leven best zwaar op. Al probeert  ze het te relativeren tot het lichter wordt. Katrijns zonnige kant wordt door iedereen tof gevonden, het was voor haar een hele opluchting te merken dat ook haar schaduwzijde er mag zijn. “Bijvoorbeeld op Twitter, daar schreef ik eerst schoorvoetend wat minder lollige tweets. Het deed me zoveel deugd dat die ook voor mensen iets konden betekenen, en dat ik niet altijd de grapjas hoef te zijn.” Via Twitter heeft Katrijn ontdekt dat men haar waardeert. Daardoor is ze meer in zichzelf gaan geloven en dat inspireert.  “Ik kus mijn handjes dat ik het allebei mag en kan doen: humor brengen op een podium, en nadenken over het leven in mijn zetel.” Even staart ze in haar inmiddels lauw geworden kopje thee. “Weet je… voor iemand die zo melancholisch is heb ik al heel veel geluk gehad. Ik ben een zondagskind, ondanks mezelf.” En dan uit ze haast fluisterend haar voornemen voor het nieuwe jaar: om voortaan meer van die voorspoed te genieten en er ook vaker naar op zoek te gaan.


Wie is Katrijn Van Bouwel ?
Geboren te Leuven op 7 december 1982. Heeft twee zussen, één broer en vier stiefzussen. Heeft een lange relatie met Wouter. Studeerde eerst communicatie wetenschappen, nadien ook filosofie. Is stand-up comedienne en impro-actrice. In 2011 won ze de Vlaamse Improcup. Is een vast lid van de impro-gezelschappen  Lunatics en The Royal Improphonic Orchestra & Theatre (RIOT), en van het impro-team van het bekende Comedy café The Joker. Was op tv te zien in Spelen met uw leven en als Festivalfee in Duizend Zonnen.Was tevens te gast in Scheire en de schepping en Winteruur. Momenteel speelt ze Louise in de Ketnetreeks Trix. Werkte als presentatrice voor culturele evenementen, als copywriter en achter de schermen bij Vrienden van de Veire, De Neus van Pinokkio en Duizend Zonnen. Ging ook brainstormen bij de makers van Wat Als… Geeft op Twitter haast dagelijks het beste van zichzelf en verzamelde er een indrukwekkende aanhang. Niet zelden wordt ze tot Twitterfenomeen gebombardeerd. Publiceerde in mei 2016  haar eerste column in Knack Weekend en later dat jaar volgde haar debuutroman De Muze en het meisje bij Prometheus. Inmiddels werkt ze aan een theaterbewerking en een opvolger, de vermoede publicatiedatum is voorjaar 2018.


De Weg naar de Wachtlijst

Tekst: Fleur van Groningen

Deze tekst verscheen in Het Nieuwsblad Magazine op zaterdag 11 februari 2017. Het portret is van de hand van Minne van Groningen.

Zes jaar geleden betrokken mijn moeder en stiefvader - toen eind de vijftig- de woning die ze net hadden gebouwd. Het kroost was uit huis, ze konden aan hun leven samen beginnen. Ik was blij, want het was alsof zij hun huwelijk omgekeerd beleefden. Terwijl ze elk al kinderen hadden waren ze aan hun relatie begonnen en het parcours van hun samengestelde gezin verliep niet probleemloos. Voortaan waren ze met  twee. Tijd voor de wittebroodsweken. Een zorgelozer bestaan. Mijn stiefvader plande een carrièreswitch en er was een kleine vleugel in het nieuwe huis waar mijn moeder haar atelier zou vestigen. Daar zou ze eindelijk doen wat ze al haar hele leven wilde: schilderen.
Kort daarop kreeg mijn grootmoeder – toen 84 - gezondheidsproblemen. Enkele dagen nadat ze zonder te vallen over een drempeltje was gestruikeld, begon haar rug vreselijke pijn te doen. Ze leed aan vergevorderde osteoporose en door de schok waren haar ruggenwervels in elkaar gezakt en klemden zenuwen af. Hierdoor kon ze nog  nauwelijks bewegen. Mijn moeder stelde voor om een week bij hen te komen logeren. Al gauw trok ze definitief in. Mijn moeder en oom haalden haar huis leeg en zetten het te koop. De kamer waarvan mijn moeder haar atelier wilde maken, werd  de slaapkamer van mijn grootmoeder. Met een ziekenhuisbed en haar dierbaarste meubeltjes: een antiek bureau, een gebloemde fauteuil, kadertjes met foto’s, beelden en schilderijen. Aan het plafond kwam een luchter, langs de ramen de lange lavendelblauwe gordijnen uit haar eigen huis. Het bijbehorende badkamertje werd in dezelfde tint geverfd. Haar grote vleugelpiano werd naar de woonkamer gedragen. Alsook de grote, lichtgele bank. Dat die vloekte met het kleurenschema dat mijn moeder voor ogen had, was ondergeschikt. Ook de bijbehorende schemerlamp werd naast de bank geplant – als een palmboom op een klein eiland, zoals ik het ooit in een column beschreef. Het werd het eiland van mijn grootmoeder, die naar gewoonte voortaan elke dag op die bank zou zitten, onder die lamp. Het was een ingrijpende stap. Ze moest ontzettend veel opgeven, alles tegelijk. Ze was op haar zelfstandigheid gesteld, haar eigen plek, haar regels en gewoontes. Nu woonde ze in andermans huis.

Zorgbehoevend
In het begin was mijn grootmoeder enorm afhankelijk. Niets kon ze alleen, zelfs niet naar de wc gaan. Voor alles had ze mijn moeder nodig. Het was voor beiden bijzonder zwaar. De jaren daarop was er sprake van lichte vooruitgang, maar mijn grootmoeder bleef toch zorgbehoevend en kon niet alleen gelaten worden. Na drie jaar viel ze en brak haar heup. In het ziekenhuis werd ons verteld dat ze geopereerd moest worden en een prothese kreeg, maar dat de mogelijkheid bestond dat ze de ingreep niet zou overleven. Een broeder reed met haar weg. Een paar uur later vernamen we dat ze het gelukkig had gehaald.
Twee maanden revalidatie volgden de ziekenhuisopname op. Ik hoopte dat mijn moeder daardoor tijd kreeg om aan haar eigen leven toe te komen. Dat was niet het geval. Mijn grootmoeder weigerde de maaltijden in het revalidatiecentrum te eten omdat ze die vies vond. Ze vermagerde razendsnel. Uit bezorgdheid reed mijn moeder elke dag naar haar toe met warm, zelfbereid eten. Omdat het centrum niet bij de deur lag, had ze daar haast een dagtaak aan. Toen mijn grootmoeder weer naar huis mocht, leek het bedrieglijk makkelijker te worden omdat mijn moeder niet meer dagelijks naar het centrum hoefde te rijden.
Verschillende hersenbloedingen tastten in de loop der jaren diverse hersencentra aan en mijn grootmoeder verloor hierdoor haar vele creatieve capaciteiten. Als zij veel hoofdpijn heeft weten we dat dit aan een TIA – tijdelijke of voorbijgaande beroerte- te wijten is. Langzaam maar zeker wordt het moeilijker om met haar te communiceren. Ze is minder helder, begrijpt niet meer alles maar blijft even lief.

Afscheid van je identiteit
Het aftakelingsproces van mijn grootmoeder was de eerste jaren erg confronterend. Voorheen stond ik nauwelijks stil bij wat veel ouderen dagelijks te verduren krijgen. Nu merkte ik dat mijn grootmoeder en ik tegenovergestelde richtingen opgingen. Ik wilde gokken op later en opbouwen. Zij bouwde juist af en hield geen marge meer voor speculatie. Ik ontdekte dat mijn grootmoeder een rouwproces doorgaat. Terwijl ik meer mezelf word, wordt zij gedwongen om afscheid te nemen van allerlei aspecten van zichzelf. Haar man, en haar identiteit als echtgenote, had ze jaren geleden verloren. Haar huis en haar gewoontes moest ze opgeven. Haar schoonheid raakte ze niet geheel kwijt – ze blijft een mooie dame- maar haar lichaam brengt haar in beperkende en soms vernederende omstandigheden. Gesprekken volgen gaat niet meer goed, ze snapt vaak niet wat er gezegd wordt of haar gehoorapparaat werkt niet afdoende. Eerst werd ze boos omdat mijn moeder weigerde de verwarming hoog te zetten opdat zij haar favoriete zwarte pantalon en dunne, witte blouse zou kunnen blijven dragen. Inmiddels heeft ze zich verzoend met een warm hemdje onder haar chemisier.
Ook haar talenten moest mijn grootmoeder één voor één opgeven. Vroeger naaide ze prachtige kleren en ontwierp ze extravagante hoeden. Na de hersenbloeding lukte het niet meer en zat ze –koppig als ze is- uren te sukkelen met naald en draad, tot ze het uiteindelijk opgaf. Ik heb haar altijd weten pianospelen. Muziek is haar passie. Als kind tekende ik vaak haar profiel, met haar hoog opgestoken kapsel, ietwat krom achter de piano. Maar na de hersenbloeding kon ze ook dat niet meer. Er resten haar stapels dvd’s van uitverkoren muzikanten, die ze regelmatig met vochtige ogen bekijkt . Enerzijds ontroerd, anderzijds droef om wat haar is ontnomen. Zelfs haar kookkunsten –  mijn grootmoeder was een voortreffelijke klassieke kokkin - moest ze vaarwel zeggen. Koken gaat niet meer, ze dient genoegen te nemen met wat de pot schaft en dat dit vaak niet naar wens is, steekt ze niet onder stoelen of banken. Ook tasten bepaalde  pillen haar smaakvermogen aan: zelfs haar lievelingskostje is vaak niet te vreten.
Lezen lukt nog wel, hetzij beperkt. Een tijdlang las mijn grootmoeder liever kinderboeken omdat die haar opvrolijkten. Enkele dagen geleden had ik haar aan de telefoon en was ze in tranen over het geschreven relaas van een Joodse vrouw die de concentratiekampen had overleefd. Negatieve emoties lijkt ze niet meer te kunnen verteren.

Bezorgdheid en mededogen
Toen mijn grootmoeder bij mijn ouders introk, was ze zo bleek en broos dat we ons probeerden voor te bereiden op het ergste. Ik sprak zelfs met mijn grootmoeder over de dood, over wat zij dacht dat die inhield. Ze verzekerde me dat het licht gewoon uitgaat maar verzocht me wel te vertellen over mijn spirituele overtuigingen. Soms deelde ze haar angst om haar kinderen achter te laten en het leven te lossen – zelfs al is haar lichaam een gevangenis geworden.
In plaats van te sterven, herstelde ze heel traag. Natuurlijk waren we blij. Na vijf jaar was ik echter wel extreem bezorgd om mijn moeder. Mijn grootmoeder, inmiddels gewend aan de situatie, genoot ervan om door haar dochter verpleegd te worden en projecteerde dit op haar : als zij het zo gezellig vond, vond haar dochter dat ongetwijfeld ook. In plaats daarvan zag ik hoe de situatie mijn moeder afmatte. Dat ze alle gewoontes van mijn grootmoeder in stand probeerde te houden en zich verregaand aanpaste. Ze ging nauwelijks de deur uit, moest om elf en vier uur thuis zijn voor het kopje koffie en de thee. En dan waren er de overige maaltijden. En het appeltje. Het taartje. Het haren kammen en hoog opsteken. De was en de plas. Het instoppen, voor zowel het middagslaapje als ’s avonds. Het leven van mijn moeder was een aaneenschakeling van plichten. Er was nauwelijks ruimte voor plezier, voor de dingen die ze zelf wilde. Die wittebroodsweken kwamen er niet van. Ik vroeg me af hoe dit op haar huwelijk woog want voor mijn stiefvader kon het ook niet vanzelfsprekend zijn om met zijn oude schoonmoeder samen te leven, elke avond te horen dat ze het eten niet lekker vond en geen uitstappen met zijn vrouw te kunnen ondernemen. Mijn moeder ging gebukt onder schuldgevoel omdat ze verlangde naar meer vrijheid terwijl dat in haar ogen ten koste van haar moeder ging. “Als ik ooit zo zorgbehoevend word, doe ik je dit niet aan”, bezwoer ze me. “Dan ga ik naar een rusthuis.” Ze was vastbesloten: als ze echt niets anders meer kon zou ze in haar kamer lezen en mediteren.  Maar mijn grootmoeder naar een rusthuis sturen? Dat was geen optie. Ik begreep haar bezorgdheid, maar ook de mijne. Mijn moeder werd hoe langer hoe magerder. Ze zag er veel ouder uit en kreeg allerlei fysieke klachten. Ze zette haar strikte dagindeling voort maar was vaak zo moe dat ze niet uit haar woorden kwam en veel vergat. Mijn grootmoeder besefte niet dat haar aanwezigheid mijn moeder van veel vrijheid beroofde. Maar ze eiste ook niets. Het was mijn moeder die niet inzag dat ze de oude routine bleef handhaven terwijl mijn grootmoeder inmiddels onafhankelijker was geworden. Ik trok aan de alarmbel en maakte me kwaad. Het kon toch wel eens een dagje zonder appeltje, koffie, thee, taartje? Mijn grootmoeder zou het wel begrijpen! Misschien was mijn woede mijn manier om voor mijn moeder te zorgen. Voor ook zij te oud en te ziek werd om nog een eigen leven te leiden. Ik stelde voor dat mijn grootmoeder naar een rusthuis zou verhuizen. Daar konden we haar kamer net zo gezellig aankleden, met dezelfde meubeltjes. We zouden haar bezoeken met lekkere hapjes. Maar de dagelijkse besognes zouden door verpleegsters worden uitgevoerd. Het zou mijn moeder tijd en ruimte geven om ook wat aan zichzelf toe te komen. Ik prentte haar in dat een mens niet voor een ander kan blijven zorgen als hij niet voor zichzelf zorgt, en dat zij op het punt stond om in te storten. Eerst wilde mijn moeder er niet van weten. Ze prak erover met haar broer, die mijn mening deelde. Daardoor kon ze het idee voorzichtig toelaten.

Op de wachtlijst
Naar een rusthuis te moeten verhuizen was voor mijn grootmoeder een waar schrikbeeld. Ze wilde bij haar dochter blijven, met de poezen op de bank in de zon, het uitzicht op de tuin. Ze vreesde voor een tehuis vol saaie ouderlingen, botte verplegers, onsmakelijk eten, een ongezellige kamer met een lelijk uitzicht. Natuurlijk begrepen we dat. Maar we legden haar ook uit hoe we het verblijf konden veraangenamen en dat het moeilijk voor mijn moeder werd. Tegen haar zin maar met een positieve instelling – haar optimisme is haar grootste kracht-  stemde ze in. Ze kwam op de wachtlijst van een nabijgelegen rusthuis terecht. Het betrof een ruim gebouw met veel groen: een parkje met damhertjes, kippen, duiven, volières met zangvogeltjes en een grote moestuin. Het leek zo slecht nog niet. Mijn moeder stond erop een zonnige kamer te vinden.  Het kon nog even duren eer die vrijkwam, werd zij gewaarschuwd.
Tot die tijd zou mijn grootmoeder ééns per week naar het zojuist geopende dagverblijf in het dorp gaan. Opnieuw stemde ze schoorvoetend in maar besloot er toch het beste van te maken. Als een schoolmeisje werd ze ’s morgens, met haar boterhammendoos, door de bus opgehaald en om vier uur weer thuisgebracht. Gelukkig werden de verpleegsters lief bevonden, de overige gasten aardig. Mijn grootmoeder kreeg zelfs een aanbidder die voorstelde om hand door de weilanden te wandelen. Dat idee lachte ze haastig weg. Er was een andere, getrouwde man die ze ‘de keizer’ noemde en voor wie ze een warme sympathie koesterde. Na zijn plotse overlijden schreef ze diens vrouw een troostvolle brief, iets waartoe ze nog in staat was.
Voor mijn moeder bleek de nieuwe regeling minder verlichting te brengen dan verwacht omdat zij van deze vrije dag al gauw een boodschappendag maakte. Van lieverlee werd besloten mijn grootmoeder voorlopig weer te ontslaan van de verplichte uitstapjes.

Naar het rusthuis
Nog steeds staat mijn grootmoeder op de wachtlijst van het rusthuis en dit wordt ook regelmatig hardop herhaald, opdat zij zou onthouden dat deze ‘uitstap’ nièt afgelast wordt.
Afgelopen zomer kreeg ze een voorproefje. Voor het eerst sinds jaren besloten mijn ouders op vakantie te gaan en haar twee weken in het rusthuis onder te brengen. Weliswaar met tegenzin, maar vastbesloten haar kinderen die ontspanning te gunnen, vertrok ze.  Toen ik haar daar bezocht, vreesde ik te zullen merken dat haar doemscenario was uitgekomen. In de tuin van mijn ouders plukte ik een bos geurige bloemen omdat ze die mooier zou vinden dan rozen uit de winkel. Met het boeket in mijn ene arm en een papieren zak met perziken in de andere, zocht ik mijn weg naar haar kamer. Die bleek echter leeg. Na lang zoeken vond ik haar in het park, in de lommer, met een familievriend die haar hand vasthield. Hij maakte grapjes, zij lachte koket. Ze zag er goed uit. Dat het allemaal reuze  meeviel, verklaarde ze vrolijk. Na wat gekeuvel onder de bomen bracht ik haar naar haar kamer om de bloemen in een vaas te zetten. Zelfs voor die korte periode had mijn moeder de ruimte met een heleboel eigen spulletjes aangekleed. Er stond bovendien een fles wijn op tafel: een cadeautje voor ‘de korporaal’ legde mijn grootmoeder uit – een zorgzame bejaarde man aan haar eettafel. Op de terugweg sms’te ik mijn ouders dat ze zich geen zorgen hoefden te maken.
Sinds die vakantie heeft mijn moeder begrepen dat ze vaker tijd voor zichzelf moet nemen. Haar fysieke klachten beginnen te verbeteren. Mede dankzij de schilderavonden met gelijkgezinden ten huize van een kunstenaar en haar wekelijkse voormiddagje schilderen in het bureautje van mijn stiefvader. Ze hoopt portretten op bestelling te gaan maken. Direct vanaf het begin vertelde ze dat het haar al meer energie en levensvreugde geeft. Ik vroeg haar wat het onderwerp van haar eerste schilderij was. Zonder nadenken gaf ze toe: “Een portret van je grootmoeder.” Ik moest lachen. Had ze eindelijk tijd voor zichzelf, bleef ze toch met haar moeder in de weer.